Zijn de dagen van de petrodollar geteld?

De macht die de Verenigde Staten vandaag de dag geniet hangt voor een belangrijk deel samen met het gegeven dat de meeste olie en andere grondstoffen wereldwijd in dollars worden afgerekend. Daarmee is de dollar letterlijk een wereldmunt, die gebruikt wordt op het moment dat twee landen met verschillende valuta handel willen drijven.

Omdat de Amerikaanse dollar nog steeds in meer dan 60% van alle internationale transacties gebruikt wordt is het voor de rest van de wereld dus ook zinvol om dollars als reserve aan te houden. Je kunt deze munt vrijwel overal gebruiken en daarmee is de dollar nog steeds de meest liquide munt.

De Verenigde Staten heeft er natuurlijk alle belang bij om de bankier van de wereld te blijven, want zo lang andere landen de dollar blijven gebruiken en deze als reserve aanhouden blijft er voortdurend vraag naar deze valuta. En dat heeft ervoor gezorgd dat de Verenigde Staten al decennia lang jaar in jaar uit veel meer geld kunnen uitgeven dan er binnenkomt, waardoor de Amerikaanse bevolking ver boven haar stand kan leven en waarmee een gigantisch militair apparaat gefinancierd kan worden waar geen enkel land zich tegen kan of wil verzetten.

Euro

Met de introductie van de euro in 1999 besloten Europese landen afscheid te nemen van dit onrechtvaardige dollarsysteem. Vanaf dat moment konden zij onderling met hun eigen gemeenschappelijke valuta handel drijven, zonder afhankelijk te zijn van Amerikaanse dollars of Duitse marken. De Europese muntunie begon met twaalf landen, maar telt er nu al negentien…

Met de komst van de euro was er voor Europese landen (maar ook voor belangrijke handelspartners van de Eurozone) opeens minder noodzaak om dollars als reserve aan te houden. En dat zien we ook terug aan de valutareserves van de Eurolanden, want daarin heeft de Amerikaanse munt een betrekkelijk klein aandeel. Ook Rusland, dat veel handel drijft met Europa, houdt naar verhouding een relatief groot deel van haar valutareserves in euro aan.

Multipolaire wereld

Vijftien jaar na de introductie van de euro zijn de economische machtsverhoudingen in de wereld drastisch veranderd. China heeft een indrukwekkende economische groei doorgemaakt en kent nu een middenklasse die in omvang vergelijkbaar is met bijvoorbeeld Europa of de Verenigde Staten. Ook India groeit snel en is inmiddels een belangrijke afzetmarkt voor veel bedrijven.

Rusland lag eind jaren negentig na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie compleet overhoop en werd geplaagd door corruptie en oligarchen die zichzelf straffeloos konden verrijken. Van de industrie was weinig meer over en het land had vrijwel geen valutareserves. Maar nu is het land een stuk welvarender, is het één van de grootste olie- en gasproducenten ter wereld en heeft het ook op technologisch gebied een inhaalslag gemaakt met het Westen.

Door deze ontwikkelingen is de wereld veel minder op de Verenigde Staten toegespitst dan in de tweede helft van de vorige eeuw. En dat betekent ook dat het helemaal niet meer zo vanzelfsprekend is om het dollarsysteem te blijven ondersteunen waar vooral de Verenigde Staten van profiteren.

Euro’s, roebels en yuan

Rusland en China promoten de laatste jaren actief het gebruik van hun eigen roebel en yuan in het regionale handelsverkeer, terwijl Iran vorig jaar een doorbraak forceerde door olie niet langer in dollars maar in euro’s af te rekenen.

Het is dat Europa steeds sancties oplegt aan Rusland, anders had Rusland misschien al lang haar aardgas in euro’s willen afrekenen. Ook Poetin weet dat dat een zeer effectieve manier is om de financiële machtspositie van de Verenigde Staten te doorbreken, net als het kopen van goud een manier is om minder afhankelijk te worden van de dollar.

Saoedi-Arabië

Deze week kwam het zoveelste signaal dat erop wijst dat de dagen van de dollar als wereldmunt geteld zijn. Saoedi-Arabië maakte deze week na topoverleg met China bekend dat ze voortaan ook obligaties in Chinese yuan wil uitschrijven. En de beste manier voor Saoedi-Arabië om dit soort leningen af te betalen is om yuan te vragen voor olie die ze naar China exporteert.

Deze week maakte de Amerikaanse regering bekend nieuwe sancties op te willen leggen aan Venezuela, met als doel het land af te knellen van dollars. Venezuela is net als Saoedi-Arabië een belangrijke olieproducent. Deze nieuwe sancties kunnen president Maduro dus aanmoedigen om olie in euro’s of in yuan te verhandelen. Is de tijd van de petro-euro en de petro-yuan aangebroken?

Frank Knopers

Deze column verscheen eerder op Goudstandaard

Hypotheekrenteaftrek is een subsidie voor banken

De hypotheekrente is een middel om het eigen woningbezit te stimuleren. Door de kopers van een huis een belastingvoordeel te geven zouden meer mensen in staat zijn een eigen huis te kopen. De gedachte achter deze maatregel is dat kopers beter voor hun huis zorgen dan huurders en dat daarmee de kwaliteit van leven in de buurt zou verbeteren en dat de waarde van de huizen daardoor zou stijgen.

De laatste jaren is deze maatregel echter steeds vaker onderwerp van discussie, vooral in negatieve zin. Door de financiële crisis van 2008 kwamen honderdduizenden huishoudens onder water te staan, omdat de hypotheekschuld veel hoger was dan de waarde van hun huis. Daarnaast waren er allerlei nieuwe en risicovolle hypotheekvormen ontstaan die mensen in staat stelden nog meer te lenen, zoals de aflossingsvrije hypotheek en de beleggingshypotheek.

Volgens cijfers van de Nederlandsche Bank bestond de hypotheekschuld bij de vier grootste banken eind 2016 voor circa 60% uit gedeeltelijk of volledig aflossingsvrije hypotheken. De totale hypotheekschuld is met €650 miljard, omgerekend 95% van het bbp, zelfs een van de hoogste ter wereld. Dat zijn praktijken die in de meeste landen onbekend of zelfs verboden zijn!

Hogere schulden

Door de uitzonderlijk ruime kredietverlening in Nederland hebben we collectief een enorme vastgoedzeepbel opgeblazen. Voor de crisis dachten huizenbezitters vermogend te zijn door de overwaarde op hun huis, maar na de crisis werd pijnlijk duidelijk dat dit een illusie was. Nu de huizenprijzen weer stijgen lijken we dezelfde fouten weer te herhalen, omdat er fundamenteel geen grote hervormingen hebben plaatsgevonden op de woningmarkt.

De verlaging van het maximale leenbedrag stelt weinig voor, terwijl de toekomstige restschuldproblematiek onder een tapijt wordt geschoven dat Nationale Hypotheekgarantie heet. Dankzij dit garantiefonds verdwijnt het gevaar van een restschulden weliswaar voor het individu, maar niet voor de samenleving als geheel. Hoe solide is dit garantiefonds als het echt mis gaat?

Hypotheekrenteaftrek afbouwen

Moeten we deze subsidie op schuld nog langer in stand houden? En wat zijn de gevolgen voor het woningbezit en voor de huizenprijzen als we de hypotheekrenteaftrek afbouwen? Precies die vragen worden beantwoord in een zeer recente studie van Jonathan Gruber, Amalie Jensen en Henrik Kleven. Zij onderzochten de gevolgen van een drastische versobering van de hypotheekrenteaftrek die eind jaren tachtig heeft plaatsgevonden in Denemarken.

Uit dat onderzoek komen een aantal interessante conclusies naar voren. Zo blijkt dat het afbouwen van de subsidie in Denemarken geen enkel effect had op het eigen woningbezit, enkel op de leeftijd waarop mensen een huis kopen. Die ging vanaf eind jaren tachtig een paar jaar omhoog, maar uiteindelijk wisten evenveel mensen een eigen woning te bemachtigen. Het positieve effect van het versoberen van de hypotheekrenteaftrek in Denemarken is dat huishoudens zich daarna minder diep in de schulden staken. Doordat er minder geleend kon worden voor een huis ging men wel iets kleiner wonen.

De onderzoekers concluderen dat er weinig redenen te bedenken zijn om een vorm van hypotheekrenteaftrek in stand te houden. De maatregel die wordt aangeprezen als een extraatje voor de huizenbezitter zorgt er in de praktijk niet voor dat meer mensen een eigen huis kunnen veroorloven. Wel zorgt deze subsidie ervoor dat huishoudens zich dieper in de schulden steken en dat overheden meer geld kwijt zijn aan deze subsidie. De hypotheekrenteaftrek is dus vooral een subsidie voor de banken…

Frank Knopers

Deze column verscheen eerder op Goudstandaard

Eigen woningbezit in Denemarken bleef vrijwel gelijk na afbouw

Deens huishoudens kopen later een eigen huis, maar niet minder vaak

Huishoudens in Denemarken gingen wel iets kleiner wonen

Lagere hypotheekschulden zorgen voor lagere rentelasten

Leen je rijk!

Als kind was ik altijd al vrij spaarzaam. Ik legde iedere maand zoveel mogelijk van mijn zakgeld opzij, zodat ik kon sparen voor een nieuwe trein of spaceshuttle van LEGO. Toen ik ouder werd begon ik met een bijbaantje en spaarde ik voor een andere hobby, namelijk computers.

Het idee dat je eerst moet sparen voordat je iets kon kopen beschouwde ik als iets vanzelfsprekends, totdat ik begon met studeren en opeens bijna gratis geld kon lenen van de IB-Groep (later DUO genoemd). Dat werd zelfs zo aantrekkelijk gemaakt dat het loonde om maximale studiefinanciering op te nemen en dat geld vervolgens op een spaarrekening te parkeren tegen een hogere rente. Dat veel studenten niet van die mogelijkheid gebruik maken en het geld besteden aan allerlei andere dingen is een tweede, maar het leerde mij wel dat het heel aantrekkelijk kan zijn om te lenen in plaats van te sparen.

Lenen loont meer dan sparen

Zo ging ik eind 2015 naar de bank om een hypotheek aan te vragen voor de aankoop van een appartement. Dat was in de tijd dat je nog rustig verschillende appartementen kon bekijken en je zelfs in een stad als Haarlem vaak nog ruimte had om beneden de vraagprijs te bieden. Ik kocht een appartement onder de vraagprijs en door de lage rente waren mijn maandlasten amper hoger dan in de (veel kleinere) studio die ik eerst huurde. De bank hoefde alleen maar een loonstrookje te zien en de rest was zo geregeld.

Door de extreem lage rente zijn er veel meer mensen zoals ik op zoek gegaan naar een koopwoning, met als gevolg dat de huizenprijzen in de grote steden weer de pan uit rijzen. Iedereen steekt zich weer vol in de schulden, omdat kopen op maandbasis nog steeds goedkoper is dan huren of omdat de verwachting is dat de economie zal blijven groeien en huizenprijzen daarom zullen blijven stijgen.

Door de gekte op de huizenmarkt heb ik in anderhalf jaar tijd waarschijnlijk net zoveel vermogen aan overwaarde opgebouwd als dat ik in de afgelopen tien jaar bij elkaar heb gespaard door hard te werken en relatief zuinig te leven! Waarom zou je nog sparen als je rijk kunt worden door te lenen en een huis te kopen?

Huizenmarkt als bron voor nieuwe crisis?

Voor mij als individu is het natuurlijk erg prettig dat de waarde van mijn huis stijgt, maar voor de samenleving als geheel is deze ontwikkeling op de huizenmarkt juist ongezond. Door de stijgende huizenprijzen kunnen we de risico’s van lenen namelijk niet meer goed inschatten.

Banken zien geen risico’s meer, omdat het onderpand van een hypotheek bij stijgende huizenprijzen vanzelf groter wordt dan de hypotheekschuld. Ook makelaars en notarissen zijn enthousiast, want meer transacties en hogere huizenprijzen betekent dat er weer een goede boterham verdiend kan worden. De makelaarskantoren schieten weer als paddenstoelen uit de grond. En dan hebben we natuurlijk de bouwsector, die het orderboek weer kan vullen met nieuwe vastgoedprojecten en renovaties aan bestaande woningen. Door de overwaarde komen huizenbezitters in de verleiding om een nieuwe badkamer, keuken of uitbouw te financieren, want ‘het huis is toch meer waard geworden’.

Zoals je ziet handelt iedereen in deze keten volledig rationeel vanuit zijn eigenbelang, dat is logisch en dat is ook wat je in een kapitalistisch economisch model van iedereen mag verwachten. Maar voor de samenleving als geheel is het uitermate onwenselijk, want de kans op een herhaling van de huizenmarktcrash van 2009 neemt op deze manier alleen maar verder toe.

Tijd voor nieuw beleid!

Wat kunnen we daar dan samen aan doen? Laten we wat mij betreft beginnen met het versneld afbouwen van de hypotheekrenteaftrek, want dat is simpelweg een subsidie die de huizenprijzen alleen maar verder opdrijft. Om huishoudens niet in de problemen te brengen zou je de subsidie ook in stand kunnen houden, maar deze juist gebruiken om het versneld aflossen te stimuleren.

Ook zouden we een voorbeeld kunnen nemen aan Duitsland, waar je eerst een deel moet sparen voordat je een huis kunt kopen. Tegenstanders zeggen dat dat onhaalbaar is met de hoge huizenprijzen in ons land, maar dat is een omkering van oorzaak en gevolg. Juist omdat de Duitsers minder geld mogen lenen voor een huis zijn de prijzen daar veel lager dan in Nederland.

Het wordt tijd dat de politiek (wanneer komt er eindelijk een kabinet??) hier eens goed over nadenkt en een visie gaat uitdragen die de woningmarkt weer gezond kan maken. Nu rekenen we ons rijk, terwijl we ons in werkelijkheid alleen maar dieper in de schulden gestoken hebben…

Frank Knopers

Deze column verscheen eerder op Goudstandaard

Prijsstabiliteit boven alles

Deze week was Mario Draghi in de Tweede Kamer om uitleg te geven over het monetaire beleid van de ECB. Niet geheel onverwachts kreeg hij vooral vragen over het stimuleringsprogramma van €60 miljard per maand. De conclusie van het verhaal was dat de ECB haar stimuleringsbeleid zal voortzetten, omdat het allemaal binnen de kaders van het mandaat van prijsstabiliteit blijft.

Onder het mom van prijsstabiliteit heeft de centrale bank inmiddels voor €1.700 miljard aan staatsobligaties en bedrijfsobligaties opgekocht. Daarmee is de rente naar een historisch laag niveau gedaald, met als gevolg dan iedereen weer kan lenen alsof er niets aan de hand is. In Nederland zitten we met een huizenbubbel, terwijl de zuidelijke landen van de Eurozone achterover kunnen leunen en de noodzakelijke bezuinigingen voor zich uit kunnen schuiven.

Prijsstabiliteit

Wat de ECB op dit moment doet is misschien niet in strijd met het mandaat van prijsstabiliteit, maar wel met de gedachte waarmee de centrale bank ooit werd opgericht. Duisenberg zei in 2005 dat geld boven alles een sociaal contract is, waar alle gebruikers van de munt op moeten kunnen vertrouwen. Met de lancering van de euro was de eerste valuta geboren die geheel onafhankelijk opereerde van de politiek.

Dat gaf spaarders vertrouwen, omdat die niet meer bang hoefden te zijn voor devaluaties. Ook gaf het bedrijven en investeerders vertrouwen, omdat die niet langer hoefden te vrezen voor grote schommelingen in de wisselkoersen.

ECB moet terug naar haar fundament

Het leek allemaal zo mooi, maar vandaag de dag moeten we helaas concluderen dat ook de ECB onderhevig is aan politieke druk. Tijdens de Europese schuldencrisis werden de fundamenten van de euro ondermijnd om een acute politieke crisis te voorkomen.

Nog niet zo lang geleden werd een nieuw dieptepunt bereikt, toen de ECB bekend maakte dat ze er alles aan zou doen om banken te helpen die door de uitslag van de Franse verkiezingen in de problemen zouden komen. Een centrale bank die iedereen te hulp schiet… dat kan alleen maar van kwaad naar erger!

Draghi zei in de hoorzitting van deze week dat het niet zijn taak is om een held te zijn. Hij zou pas echt een held zijn als hij de onafhankelijkheid van de centrale bank zou respecteren door het opkoopprogramma snel af te bouwen!

Frank Knopers

Deze column verscheen eerder op Goudstandaard

Raakt de olie wel op?

Op school hebben we altijd geleerd dat olie ooit ontstaan is uit de ontbinding van plantenresten en prehistorische zeedieren, vandaar de naam fossiele brandstof.

Gekoppeld aan deze theorie is de theorie dat de olie binnen afzienbare tijd opraakt (peak oil) en dat we daarom versneld moeten overschakelen naar alternatieve en duurzame energiebronnen. Doen we dat niet, dan gaat de wereld aan onbetaalbare olie of aan klimaatverandering ten onder.

Maar loopt het allemaal echt zo’n vaart? En zijn onze veronderstellingen ten aanzien van de herkomst van olie wel correct? Ik heb mij onlangs eens verdiept in een radicaal andere theorie, die stelt dat olie bij hoge temperaturen ontstaat in de kern van de aarde.

Volgens deze theorie is er binnenin de aarde een gigantische hoeveelheid koolstof aanwezig, die door de hoge temperatuur verandert in olie en vervolgens door de scheurtjes in de aardlagen zijn weg naar boven vindt. De olie komt tot vlak boven het aardoppervlak, waar het zich ophoopt en een olieveld vormt. Dat verklaart misschien ook wel waarom olie meters omhoog gespoten wordt bij het aanboren van een nieuw veld.

oil-gusher

De vondst van een olieveld in 1910

Abiotische olie

De theorie van deze zogeheten abiotische olie werd in de jaren vijftig nieuw leven ingeblazen door de Russische geoloog Nikolai Alexandrovitch Kudryavtskev en de Oekraïense professor Emmanuïl Bogdanovych Chekaliuk. Zij documenteerden de theorie die door een minderheid van de Russische en Oekraïense geologen nog steeds onderschreven wordt.

Onderzoekers hebben de omstandigheden in het binnenste van de aarde proberen na te bootsen, waaruit naar voren kwam dat er inderdaad olie kan ontstaan bij de hoge druk en hoge temperatuur die op 10 kilometer diepte te vinden zijn. Hieronder een Duitse documentaire met meer uitleg. Helaas is er geen ondertiteling voor beschikbaar, maar de video is over het algemeen goed te volgen.

Raakt de olie echt op?

Op het internet zijn verschillende bronnen en video’s te vinden waarin deze alternatieve theorie over olie verder wordt uitgelegd. Ik kan u ten zeerste aanraden om hier eens wat over te lezen of te bekijken, want de implicaties van deze theorie zouden wel eens enorm kunnen zijn.

Er zijn al aanwijzingen te vinden die deze theorie van abiotische olie bevestigen, want in oude olievelden die al lang geleden als uitgeput werden beschouwd is vele jaren later opnieuw olie gevonden. Zou dat olie zijn die vanuit het binnenste van de aarde weer naar boven komt en in de lege reservoirs stroomt?

Peak oil?

Wereldwijd wordt nog steeds aangenomen dat olie een fossiele brandstof is die over een aantal generaties niet meer zo ruim voorhanden is als nu. Juist in dat kader is het interessant om te luisteren naar de woorden van de directeur van Saudi Aramco, het grootste oliebedrijf van Saoedi-Arabië.

Hij zei deze week nog het volgende over ‘peak oil’ en de voorspelling dat de vraag naar olie door de komst van alternatieve energiebronnen ook een piek zal bereiken:

De wereldeconomie zal in 2050 volgens schattingen in omvang verdubbeld zijn, dus de vraag naar olie zal dan ook groter zijn. Het idee van de vraag naar olie dicht bij een maximum ligt is minstens zo misleidend als de inmiddels ontkrachtte theorieën over ‘peak oil’.

Wat denkt u? Raakt de olie echt op of is het een energiebron die voortdurend wordt aangemaakt in het binnenste van de aarde? En wat zouden implicaties hiervan kunnen zijn ten aanzien van geopolitiek, de economie en ons milieu? Kortom, voer om over na te denken!

Frank Knopers

Deze column verscheen eerder op Goudstandaard

Vertaling: Wim Duisenberg speech over de euro (2002)

Wim Duisenberg sprak op 9 mei 2002 wijze woorden over de euro. Over de reden voor de totstandkoming van deze munt en het ‘sociale contract’ dat geld is. De euro kreeg in dat jaar de Charlemagne Prize, een prijs die jaarlijks wordt toegekend aan één of meerdere personen of een organisatie die zich verdienstelijk heeft gemaakt voor de Europese eenwording.

Acceptatiespeech Duisenberg (9 mei 2002)

Dames en heren,

Voor de eerste keer heeft de Charlemagne Prize Association besloten om geen individu of een groep mensen te vereren, maar een object. U hebt gekozen om de eer toe te kennen aan “de euro – ons geld”.

Al meer dan een decennium weet de monetaire unie de publieke aandacht op zich te vestigen en is het onderwerp van discussie. De diepte van het gevoel dat de euro heeft gebracht – enthousiasme of vijandigheid – is veel groter geweest dan we gewend zijn in dit weinig glamoureuze veld van economisch management dat we monetaire beleid noemen.

In feite ging de meeste aandacht niet uit naar de valuta zelf, maar naar de onderliggende politieke visie, waarvoor de munt symbool is komen te staan. Door vandaag de Charlemagne prijs te accepteren namens de euro, wil ik graag de eer doorgeven aan diegene die deze visie voor Europa gesmeed hebben en tot werkelijkheid hebben gemaakt. Onder hen waren Helmut Kohl en François Mitterand, die deze prijs samen wonnen in 1988.

De visie van een verenigd Europa was geboren – laten we dat niet vergeten – vanuit een wens van vrede van welvaart in een continent dat zo vaak verdeeld is geweest door moorddadige conflicten en dat de wereld twee generaties lang verwikkeld heeft in twee Wereldoorlogen.

Het zou onnauwkeurig zijn om te zeggen dat de visie van een verenigd Europa louter is voortgekomen uit de horror van de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Die visie bestond daarvoor al. Maar het waren deze twee grote oorlogen waaruit de oprichters van het huidige proces van Europese integratie de kracht vonden die eerdere visionairs niet konden vinden. In de jaren twintig rees de Oostenrijkse diplomaat Count Coudenhove-Kalergi op als de oprichter van de Europese beweging. Hij merkte op dat “meer dan de gemeenschappelijke geschiedenis, het de gemeenschappelijk bestemming is, die een verenigd Europees volk noodzakelijk maakt”. Overigens, en niet verbazingwekkend, werd hij de eerste persoon die de Charlemagne prijs kreeg. En zoals Aristide Briand, de Franse staatsman, later uitwees, is het de wederzijdse kwetsbaarheid van de mensen van Europa – vanwege de geografie van ons continent – hetgeen dat de voorwaarden schept voor solidariteit en de behoefte duidelijk maakt voor onderling vertrouwen.

Dit, in essentie, was de boodschap die Robert Schuman exact 52 jaar geleden verkondigde op deze dag, in zijn beroemde verklaring die leidde tot de oprichting van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS). De EGKS wordt door historici over het algemeen erkend als het startpunt van Europese integratie. L’Europe – dit zijn de woorden van Schuman – ne se fera pas d’un coup, ni dans une construction d’ensemble. Elle se fera par des réalisations concrètes, créant d’abord une solidarité de fait. Europa zal niet in één keer gemaakt worden of volgens een eenduidig plan. Het zal gebouwd worden door concrete mijlpalen, die een de facto solidariteit creëerden.

Hoe de euro bijdraagt aan deze solidariteit – misschien nog wel meer dan welke andere mijlpaal die totnogtoe bereikt is – is waar ik nu als eerste op wil terugblikken.

Een sociaal contract

Wat is geld? Economen weten dat geld wordt gedefinieerd door de functies die het vervult, als een ruilmiddel, een rekeneenheid en als een opslag van waarde. Maar, minstens zo belangrijk, geld wordt ook gedefinieerd door de gemeenschap voor wie ze deze functies uitoefent. Omdat het een economisch instrument is voor al haar gebruikers schept ze onderling ook een politieke en culturele band. Denk aan dit simpele feit: we betrekken ons dagelijkse in een uitwisseling van goederen en diensten waarbij we geld gebruiken als ruilmiddel. We bieden onze arbeid aan in ruil voor geld, dat in zichzelf geen waarde heeft. We doen dit alleen omdat we erop vertrouwen dat we dat geld kunnen gebruiken voor de uitwisseling van goederen en diensten. Dit feit zegt op zichzelf al veel over het vertrouwen dat we leggen in het geld. En het zegt nog meer over het vertrouwen dat wij als mensen in elkaar hebben. Vandaar dat geld, in essentie, een sociaal contract is.

De euro vertegenwoordigt, waarschijnlijk meer dan elke andere valuta, het onderlinge vertrouwen in het hart van onze gemeenschap. Het is de eerste valuta die niet alleen haar koppeling aan goud verbroken heeft, maar ook haar koppeling aan de natiestaat. De euro wordt niet gedekt door de duurzaamheid van het metaal of door de autoriteit van de staat. Precies datgene wat Sir Thomas More vijfhonderd jaar geleden zei over goud – dat het gemaakt is voor mensen en dat het door hen gewaardeerd wordt – sluit goed aan op de euro.

Elke valuta is een symbool van de gemeenschap die ze dient. Het is een symbool voor de gemeenschap als geheel, maar ze vertegenwoordigt ook de politieke en culturele verbondenheid tussen alle mensen in de gemeenschap. Ik weet zeker dat deze verenigde kracht gevoeld werd – ik zou geneigd zijn te zeggen, fysiek – door diegene die dit jaar van het ene euroland naar het andere gereisd hebben.

Van één markt naar één valuta

Het is onvoldoende om te zeggen dat de euro symbool het symbool is van een grote Europese gemeenschap. In feite komt de introductie van de euro ook terug bij de economische belangen die ze materialiseert. In lijn met de functionalistische benadering van Europese integratie die door Schuman en Monnet gehanteerd werd is de bredere Europese visie bereikt door eerst de nadruk te leggen op economische integratie.

In 1957, toen de Europese Economische Gemeenschap (EEG) tot stand kwam, was het haar doel om een vrijhandelszone te creëeren voor de circulatie van goederen, diensten, kapitaal en arbeid. Dit doel werd bereikt met de bekrachtiging van de European Single Act in 1986 en met de creatie van één markt in 1993.

De vier markten voor goederen, diensten, kapitaal en arbeid zijn precies die markten die het geld moet dienen. Het zijn de grenzen van die markten die het gebied definiëren waarin geld het publiek dient als ruilmiddel, rekenmiddel en spaarmiddel. Bezien vanuit dit perspectief lijkt de conclusie een natuurlijke: als geld een publiek goed is op het niveau van de Europese markt, dan is dat ook het niveau waarop de gemeenschappelijke munt gevestigd moet worden. In de context van de Europese markt was de invoering van een gemeenschappelijke munt de manier om er zeker van te zijn dat de bevolking volledig profijt kan halen uit alle functies van geld. In tegenstelling tot het weghalen van geld van de mensen heeft de monetaire unie juist het geld aan hen teruggegeven.

Een tweede contract

Het feit dat de euro economische wortels heeft vermindert haar significantie als een sociaal contract niet. Echter is het succes van de euro, als sociaal contract, alleen mogelijk gemaakt door haar vast te leggen in een tweede akkoord, een constitutioneel contract tussen de burgers die de euro gebruiken en de institutie die de taak heeft gekregen de munt te beschermen.

De erkenning dat het management van de valuta een politieke functie is, vereist een contitutionele ruggengraat die niet bepaald nieuw is. In 1360 was de Franse bischop en filosoof Nicolas Oresme één van de eerste die succesvol kon beargumenteren dat geld niet toebehoort aan de staat, maar aan “de gemeenschap en aan al haar leden”.

Men kan de architecten van het Verdrag van Maastricht louter prijzen. Zij erkenden de noodzaak om de functies van geld aan te bieden op een Europees niveau. De architecten van het verdrag begrepen ook dat deze enkele munt haar monetaire functies en haar integrerende kracht alleen kan vervullen zo lang ze haar waarde behoudt. Daarom schreven ze een solide monetaire grondwet om de functionaliteit en de stabiliteit van de munt te waarborgen.

Het hoofdstuk van het verdrag dat verwijst naar geld is, in essentie, een contract dat de mensen van Europa verbindt aan hun monetaire autoriteit. Zoals ieder contract telt ook deze vijf elementen.

Als eerste is er de definitie van het belang dat op het spel staat, dat is om de economie en de maatschappij te dienen met een medium dat op een betrouwbare en duurzame manier de drie functies van geld kan vervullen. In een woord uitgedrukt is het doel van dit contract om de integriteit van de munt te behouden.

Ten tweede beschrijft het contract de institutie die men toevertrouwt voor deze missie. Dat zijn uiteraard de Europese Centrale Bank en de centrale banken van de eurozone, waar men gezamenlijk naar refereert als zijnde het Eurosysteem.

Ten derde specificeert het contract dat het primaire doel van de centrale bank het behouden van prijsstabiliteit is – wat ook het criterium is voor haar succes. De centrale bank is verantwoordelijk voor alleen dit doel, boven alle andere. De consensus op dit fundamentele punt is afgeleid van academisch onderzoek en empirische ervaring over vele decennia. Over het algemeen wordt aangenomen dat, indien de centrale bank er niet in slaagt de prijsstabiliteit te waarborgen, er weinig overblijft dat een bijdrage kan leveren aan economische groei en voorspoed. In dit opzicht heeft de euro bijgedragen aan zowel de solidariteit als aan de stabiliteit van de gemeenschap die ze dient.

Het Verdrag van Maastricht bepaalt eveneens de instrumenten waarmee de centrale bank haar missie kan uitdragen – met name haar onafhankelijkheid – en wat de grenzen zijn waarbinnen ze moet opereren.

Maar geen contract is compleet zonder de specificering van de verantwoordelijkheden van diegen die het contract ondertekenen en de procedures waarmee op de naleving van het contract kan worden toegezien. Het verdrag komt ook tegemoet aan deze zorgen. Mijn collega’s in de Raad van Bestuur van de ECB en ik brengen regelmatig verslag uit aan het Europese Parlement – en daarmee aan het algehele publiek – ten aanzien van ons beleid. Via dit kanaal en via de rapporten die we regelmatig uitgeven over onze activiteiten, kunnen mensen voor zichzelf beoordelen of wij ons aan onze contractuele verplichting houden om de integriteit van het geld te bewaken.

De legitimiteit en geloofwaardigheid van dit constitutionele contract – waaraan de euro ten grondslag ligt – vertrouwt ook op haar duurzaamheid. Een contract kan geen vertrouwen uitstralen als de voorwaarden ervan voortdurend worden aangepast.

Nu ik Nicolas Oresme heb genoemd als vroege theoreticus ten aanzien van de rol van geld, zal ik ook zijn woorden citeren met betrekking op dit onderwerp. Woorden die ik, 640 jaar na dato, nog steeds kan beamen: “Moneta debet esse quasi quaedam lex et quaedam ordinatio firma” , geld moet zo degelijk zijn als de wet. Dat is van toepassing op zowel de constitutionele waarde van geld als op haar economische waarde. Het was daarom verstandig dat de architecten van het verdrag ervoor gekozen hebben de monetaire grondwet van Europa niet alleen degelijk te maken, maar het meest degelijke van de hele wereld. In de zin dat ze waarschijnlijk het moeilijkste is om aan te passen.

Richting een derde contract

We weten dat de gedurfde stap als het opzetten van een muntunie onderdeel is van een groter proces van Europese eenwording. Niet alleen in economisch, maar ook in politiek opzicht. Vandaag wordt een nieuw pad verkend: de Conventie over de Toekomst van Europa is gevormd. Haar taak is om voorstellen te maken over zowel de verdere constructie van een verenigd Europa als over het stroomlijnen en democratiseren van de structuur van de Unie.

Als ze deze taak succesvol kan volbrengen, dan zal de Conventie met effective en transparante politieke structuren en processen een bijdrage kunnen leveren aan de bestaande economische grondwet. Op dezelfde manier waarop de economische grondwet – omdat ze gebaseerd is op degelijke principes – in staat is de toekomstige uitdaging aan te gaan, zo zal Europa als geheel beter uitgerust zijn om aan de verwachting van haar burgers te voldoen. Het is deze manier, waarop Europa beter in staat zal zijn de uitdagingen aan te gaan waarmee ze geconfronteerd zal worden, of die nou van binnenuit of van buitenaf komen, en om de inteationale verantwoordelijkheid aan te nemen evenredig aan haar omvang en relevantie.

We zouden ons kunnen afvragen wat we mogen verwachten van de Conventie, binnen ons interessegebied en onze verantwoordelijkheid, voor wat betreft de bewaking van de waarde van onze munt. Toen ik Nicolas Oresme citeerde gaf ik impliciet al mijn zienswijze. Ik beschouw de economische grondwet, zoals die er nu ligt en zoals deze in het verdrag is vastgelegd, over het geheel als voldoende. Ze is gebaseerd op degelijke principes en is in staat de uitdagingen van de toekomst aan te gaan. In het bijzonder geldt dit voor de fundamentele kenmerken van de monetaire unie en het ESCB, de instituties van het monetaire contract waar ik zojuist op gewezen heb.

Conclusie

Nu het monetaire hoofdstuk van de grondwet voltooid is wil ik mijn opmerkingen verwoorden in een conclusie:

Al meer dan tien jaar heeft de euro – als een doelstelling – hoop en vrees gekristalliseert en zowel kritiek als lof ontvangen. Niet alleen in relatie tot het vooruitzicht van een enkele munt, maar ook in relatie tot het hele proces van Europese integratie. De introductie van de euro was een gedenkwaardige gebeurtenis voor Europa, die mogelijk is gemaakt door de twee contracten waarover ik het zojuist heb gehad.

Als eerste het geld zelf, dat het contract is dat een band schept tussen de mensen van de Eurozone – en die ook banden kan smeden met alle andere gebruikers van de euro, wie dat ook maar mogen zijn. Ondanks het feit dat de euro formeel al meer dan drie jaar bestaat wordt  de realiteit van dit contract pas gevoeld met de komst van bankbiljetten en munten. De bankbiljetten zijn, op hun eigen manier, een fysieke verschijning van het sociale contract dat geld is. De euro staat dus symbool voor de Europese Unie, een gemeenschap van mensen.

Het tweede contract is het constitutionele contract dat de centrale bank – de Europese Centrale Bank – verbindt met alle burgers van Europa. De bankbiljetten zijn een fysieke vertegenwoordiging van daat contract en mijn handtekening op alle bankbiljetten is daar getuige van.

Mijn afsluitende woorden, beste President Ciampi, wil ik adresseren aan u en zijn van een meer persoonlijke aard.

Ongeveer vijftig jaar geleden was Luigi Einaudi een van uw voorgangers als gouveeur van de Banca d’Italia en tevens president van de Italiaanse Republiek. Hij voorzag in de jaren ’20 al de bedreigingen die zich voordeden voor het bewaren van de vrede, en zelfs voor de beschaving, bedreigingen die komen van een vijandige groep verdeelde landen. Hij pleitte voor een verenigd Europa. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen hij verbannen was naar Zwitserland, schreef hij met een geweldige vooruitziendheid dat een gemeenschappelijke markt en een gemeenschappelijke munt de manier was waarop Europa herbouwd moest worden.

U, President Ciampi, heeft verder gebouwd op zijn nalatenschap. In woord en daad heeft u helder uw geloof in een monetaire unie tentoongesteld, in uw Europese geloofsbrieven en uw toewijding voor een verenigd continent.

Laten we hopen dat Europa op dit pad van eenheid blijft en dat tot het einde zal blijven volgen.

Ik wil u bedanken voor uw aandacht, en natuurlijk namens onze gemeenschappelijke munt, de euro. Ik bedank de Charlemagne Prize Association voor deze prijs.

Over Wim Duisenberg: Wim Duisenberg was vanaf 1998 de eerste president van de Europese Centrale Bank. Vanuit die positie was hij één van de drijvende krachten achter de invoering van de euro. In de zomer van 2003 trad hij af als ECB-president, om deze taak over te dragen aan de Fransman Jean-Claude Trichet. Wim Duisenberg overleed in 2005 op 70-jarige leeftijd in zijn villa in Faucon.

Dit artikel verscheen eerder op Marketupdate

BronECB

European Central Bank
Directorate Communications
Press and Information Division
Kaiserstrasse 29, D-60311 Frankfurt am Main
Tel.: +49 69 1344 7455, Fax: +49 69 1344 7404
Inteet: http://www.ecb.europa.eu

Waarom is goud vrijgesteld van btw?

Heeft u zich wel eens afgevraagd waarom u geen btw betaalt over de aankoop van gouden munten of goudbaren, terwijl u wel belasting betaalt voor andere metalen als zilver, platina en palladium? Wat is de gedachte achter deze vrijstelling? En waarom geldt deze uitsluitend voor goud? In dit artikel geven we meer uitleg over het hoe en waarom van deze btw vrijstelling voor goud.

Waarom is goud vrijgesteld van btw?

Op 17 oktober 1998 werd in de Europese Unie een nieuwe wet aangenomen waarmee beleggingsgoud in de hele eurozone werd vrijgesteld van btw. Goudbaren met een zuiverheid van tenminste 99,5% en een ‘gangbaar gewicht’ zijn sindsdien zonder btw te verhandelen. Een certificaat van echtheid van de smelterij is geen vereiste. Ook gouden munten zijn vrijgesteld van btw, mits deze tenminste 90% goud bevatten, na 1800 geslagen zijn en mits deze in het land van oorsprong wettig betaalmiddel zijn of zijn geweest. Ook geldt dat de marktwaarde van de gouden munt niet meer dan 80% boven de intrinsieke waarde van het goud mag liggen.

De reden waarom goud is vrijgesteld van btw laat niets aan de verbeelding over. Hieronder staat de samenvatting van de betreffende wet, waarin duidelijk wordt uitgelegd dat men op deze manier het gebruik van goud als financieel instrument wil stimuleren. In het verleden werd goud in veel Europese landen nog wel met btw belast, maar met het vooruitzicht van een gemeenschappelijke munt en vrij verkeer van kapitaal binnen de Eurozone werd besloten om de fiscale regels ten aanzien van goud in alle landen van de muntunie gelijk te trekken.

Teneinde het gebruik van goud als financieel instrument te stimuleren, installeert deze richtlijn een fiscale vrijstelling voor de levering van beleggingsgoud. Voorheen viel beleggingsgoud onder het gewone fiscale regime. Op basis van dit stelsel waren partijen beleggingsgoud in principe onderworpen aan btw, een aantal lidstaten echter konden deze leveringen, op provisorische basis, vrijstellen. De nieuwe richtlijn heft deze vorm van concurrentievervalsing tussen de lidstaten op en versterkt tegelijkertijd ook de concurrentiepositie van het communautaire goud op de markt.

Goud kopen wordt gestimuleerd

Goud wordt in veel Europese landen dus niet alleen erkend als financieel instrument, het wordt zelfs als zodanig gestimuleerd. Blijkbaar heeft men in Europa rekening gehouden met een toekomst waarin spaarders en beleggers zonder restricties geld kunnen omzetten in goud en vice versa. Dat is niet overal in de wereld zo, want in de Verenigde Staten moet je winstbelasting betalen op het moment dat je goud met winst weet te verkopen.

De Europese Commissie publiceert ieder jaar een overzicht waarin precies staat in welke landen je zonder btw goud kunt kopen. Hieronder staan alle landen waar beleggingsgoud dit jaar is vrijgesteld van btw.

In deze landen is goud vrijgesteld van btw (Bron: Europese Commissie)

Waarom zijn niet alle edelmetalen vrijgesteld van btw?

In de Europese Unie wordt alleen goud erkend als financieel instrument. Edelmetalen als zilver, platina en palladium worden aangemerkt als een grondstof, omdat deze metalen ook veel industriële toepassingen kennen. De industriële toepassingen van goud daarentegen zijn zeer beperkt, waardoor dit metaal zich uitstekend leent als een alternatief financieel instrument om in te sparen.

Ook centrale banken in de Eurozone erkennen goud als financieel instrument. Alle centrale banken van het Eurosysteem hebben goud op hun balans staan, dat vier keer per jaar gewaardeerd wordt tegen de actuele goudprijs. Dat goud is niet gekoppeld aan het geld en dient ook niet als direct onderpand voor het geld dat centrale banken in omloop brengen.

Hoe kan ik deze edelmetalen fiscaal aantrekkelijk aankopen?

Voor zilverbaren en platinabaren betaalt u het hoge btw-tarief, maar voor munten is een speciale regeling getroffen. Zilveren munten en platina munten mogen onder de margeregeling verhandeld worden, wat betekent dat u alleen btw betaalt over de winstmarge van de handelaar en niet over het metaal zelf. Wilt u als particulier zilver of platina kopen, dan zijn munten interessanter dan baren. Heeft u de mogelijkheid om zakelijk zilver of platina aan te kopen, dan kunt u de belasting op baren verrekenen.

Binnen de Eurozone worden zilver en platina met btw belast, maar in Zwitserland zijn ook deze edelmetalen vrijgesteld van deze belasting.

Dit artikel verscheen eerder op Marketupdate

Depositogarantiestelsel is een schijnzekerheid

Spaarders hebben er alle vertrouwen in dat hun spaargeld dankzij het depositogarantiestelsel nu veilig is, maar is dat wel terecht? Marketupdate duikt in het depositogarantiestelsel en concludeert dat het volstrekt onvoldoende is om spaarders te compenseren bij het omvallen van een grote bank.

Het is algemeen bekend dat het depositogarantiestelsel maximaal €100.000 per persoon per bank garandeert. Valt de bank om, dan worden haar spaarders voor maximaal dit bedrag gecompenseerd. Eventuele hypotheekschulden worden in dat geval verrekend met de spaartegoeden, wat overigens niet het geval is voor andere soorten leningen bij dezelfde bank. Heb je een gezamenlijke bankrekening, dan wordt er maximaal €200.000 uitgekeerd via het garantiefonds (€100.000 per persoon).

Deze informatie is overal op het internet te lezen, maar het heel moeilijk om terug te vinden wie er precies garant staat en waar het geld vandaan komt waarmee spaarders gecompenseerd worden. Na enig zoekwerk vonden we een paper van De Nederlandsche Bank en het Ministerie van Financiën, dat meer inzicht geeft in de exacte werking van het depositogarantiestelsel.

Depositogarantiestelsel

Alle banken die onder het garantiestelsel vallen moeten ieder kwartaal verplicht een bijdrage leveren aan het depositogarantiefonds. In tien jaar tijd zetten de banken in totaal een bedrag opzij dat gelijk staat aan 1% van alle gedekte spaartegoeden. Daarnaast betalen banken ieder kwartaal een risico-afhankelijke bijdrage en – indien nodig – een extra bijdrage voor het geval de spaartegoeden van de bank tussentijds zijn toegenomen.

De eerste kwartaalbijdrage van de banken aan het fonds was in juli 2012, wat betekent dat het depositogarantiefonds pas in de zomer van 2022 op volle sterkte is. Tegen die tijd ligt er een bedrag is kas waarmee ongeveer één procent van alle gedekte spaartegoeden in geval van nood gecompenseerd kan worden. De Nederlandse banken storten per jaar ongeveer € 450 miljoen in het fonds. Naar verwachting dragen de banken uiteindelijk € 3,5 tot € 4 miljard bij. De precieze omvang van de bijdrage is afhankelijk van het totale spaartegoed bij de banken.

Het geld in het depositogarantiefonds wordt beheerd door een stichting, die tevens bepaalt waar de reserves van het fonds in belegd moeten worden. De stichting werkt hiervoor samen met de Nederlandsche Bank. Volgens de paper wordt dit vermogen naar alle waarschijnlijk belegd in staatsobligaties. Het rendement dat daarmee wordt behaald blijft in het depositogarantiefonds.

Wat gebeurt er als een bank omvalt?

Valt een bank om, dan moeten alle spaarders gecompenseerd worden uit het garantiefonds. Indien dat bedrag groter dan wat het garantiefonds in kas heeft, dan moeten overige banken in één keer maximaal 5% van hun eigen vermogen neerleggen. Maar als de Nederlandsche Bank van mening is dat daarmee de financiële stabiliteit in gevaar komt zal die het maximum verlagen.

Uitbetaling van spaarders onder depositogarantiestelsel (Bron: DNB)

Is dat bedrag dan nog steeds niet toereikend, dan zal het depositogarantiefonds het resterende bedrag lenen op de kapitaalmarkt en de rente over deze lening betalen uit de kwartaalbijdrage van banken. Dit wordt verder beschreven in de volgende passage uit de paper.

Als het dgs geactiveerd wordt en het fonds daardoor uitgeput dreigt te raken, zal de DNB, zoals hiervoor beschreven, direct een ex post bijdrage van de banken verlangen. Indien banken door de ex post bijdrage de prudentiële grens van 5% van het eigen vermogen bereiken, zal er een tekort ontstaan. Aangezien DNB een tekort om monetaire redenen niet mag financieren zal de Stichting daarom de mogelijkheid hebben om in dat geval financiering aan te trekken.

Conclusie

Met de herziening en uitbreiding van het depositogarantiestelsel werd voorkomen dat spaarders massaal geld van de bank zouden halen. Mede dankzij deze maatregel en dankzij het besluit om de grens in de hele eurozone gelijk te trekken naar €100.000 kwam de rust op de financiële markten weer terug. In dat opzicht is het garantiestelsel zeer succesvol gebleken. Kijken we echter onder de motorkap van het Nederlandse depositogarantiestelsel, dan kunnen we niet anders concluderen dan dat het een boterzachte garantie is.

Sinds 2012 zetten banken ieder kwartaal wat geld opzij voor het garantiefonds, maar de bedragen zijn volstrekt onvoldoende om bezorgde spaarders gerust te stellen. Komt één van de drie grote banken in Nederland in de problemen, dan is het garantiefonds nog niet eens een doekje voor het bloeden. Andere banken moeten dan te hulp schieten, maar die zullen er in een dergelijk scenario ook niet best voor staan. Waar het uiteindelijk op zal uitdraaien is dat het depositogarantiefonds geld moet lenen om spaarders van de omgevallen bank te compenseren. De inleg van banken in het garantiefonds is dan nodig om de rente op die lening te betalen.

We kunnen concluderen dat het depositogarantiestelsel in Nederland niet veel meer is dan een schijnzekerheid voor spaarders. Het is alsof je een paar tientjes opzij zet om een mogelijke tegenvaller van duizenden euro’s op te vangen. In ieder ongunstig scenario zal de reserve van het depositogarantiestelsel volstrekt onvoldoende blijken en ben je als spaarder overgeleverd aan de centrale bank als ‘lender of last resort’. Spaarder, wees gewaarschuwd!

Dit artikel verscheen eerder op Marketupdate

‘Geld is een belofte die verbroken kan worden’

Vorig jaar werd ik geïnterviewd door Lenneke Arts en Joost van Kuppeveld van het Financieel Dagblad. Dat interview werd eind oktober 2016 gepubliceerd in een uitgebreid artikel over goud, waarvoor ook goudkenners als Jan Nieuwenhuijs (Koos Jansen), Sander Boon en Aerdt Houben (DNB) geïnterviewd werden.

Het interview met Aerdt Houben, directeur Financiële Markten van De Nederlandsche Bank, werd een dag eerder al gepubliceerd op de website van het Financieel Dagblad. Dat stelde mij in de gelegenheid een uitgebreide reactie te plaatsen op Marketupdate. Hieronder mijn interview dat vandaag verschenen is in het Financieel Dagblad. De andere interviews staan in de zaterdageditie van de krant en op de website van het FD.

‘Geld is een belofte die verbroken kan worden’

‘Ik studeerde bedrijfskunde, een studie vol modellen en theorieën die uitgingen van een bepaald fundament: het geldsysteem. Maar ik had geen flauw benul van de werking van geld, de bank, goud. Toen het systeem in 2008 vervolgens niet zo stabiel bleek als we dachten, ben ik me gaan verdiepen in geld en enthousiast geworden over goud. In eerste instantie door de vele stukken die ik las van bronnen als Willem Middelkoop (bekend als de ultieme ‘goudgelovige’, red.). Daarna ben ik me verder gaan verdiepen en heb ik andere bronnen gevonden.

Een jaar later heb ik de stap gezet: ik haalde al mijn spaargeld van de bank en kocht er gouden muntjes van. Omdat goud bij uitstek iets is wat je kunt vertrouwen. Je hebt geen “tegenpartijrisico”. Je kunt het namelijk gewoon vasthouden en aan de hand van verschillende kenmerken testen of het echt is. Bij papiergeld heb je te maken met een centrale bank en een overheid. Die hebben een bepaalde mening over het geld en kunnen een munt devalueren.

Daardoor is geld een belofte, een contract. Maar dat contract is niet altijd even goed. Overheden van landen als Griekenland, Italië en Spanje hebben in het verleden dat soort beloftes verbroken en de waarde van het geld uitgehold.

Dat wantrouwen jegens het systeem is wat mensen richting goud drijft. Zij zeggen: “Ik vertrouw het niet meer met die centrale banken die geld bijdrukken en de rente verlagen, dus ik wil gewoon uit dat systeem stappen en mijn spaargeld in eigen hand houden: fysiek goud kopen.” Goud is altijd van jou.

Door er veel over te schrijven wil ik mensen de ogen openen. Het heeft ook met verantwoordelijkheidsgevoel te maken. Het gaat niet goed, en daarover wil ik familieleden en andere mensen informeren. Uitleggen hoe het geldsysteem werkt, hoe banken werken. Vrienden begrijpen mijn keuze voor goud wel; zij zitten ook een beetje in goud. Niet zoveel als ik, maar ze geloven wel dat het een bepaalde plek verdient binnen je vermogen. Ook als je niet zoveel hebt.’

Bron: Financieel Dagblad, 29 oktober 2016

Analyse: Hoe werkt QE?

Quantitative Easing (QE) wordt vaak in verband gebracht met ‘geld drukken’ en ‘inflatiegevaar’. Ook zouden de banken flink meeprofiteren van de monetaire verruiming. Maar kloppen deze diep gewortelde overtuigingen wel? In 2009 begonnen zowel de Federal Reserve en de Bank of England met monetaire stimulering, door middel van het structureel opkopen van staatsobligaties. Toch is de inflatie niet uit de hand gelopen en is ook de omloopsnelheid van het geld niet explosief toegenomen. Hoe valt dat te verklaren? Marketupdate duikt in de materie en maakt het monetaire stimuleringsprogramma van de Bank of England inzichtelijk.

QE: Als het verlagen van de rente niet meer werkt

De centrale bank kan de geldhoeveelheid in de economie indirect sturen aan de hand van de rente. Door de rente te verhogen wordt het voor bedrijven en consumenten minder aantrekkelijk krediet af te sluiten bij de bank, waardoor de geldcreatie afremt. Verlaagt de centrale bank de rente, dan gaan bedrijven en consumenten meer krediet afsluiten en neemt de geldcreatie juist toe. Onder normale omstandigheden is de bepaling van de rente een vrij krachtig instrument van een centrale bank, maar in een ernstige crisis werkt dat instrument niet goed meer.

U kunt zich voorstellen dat bedrijven niet happig zijn om geld te lenen bij de bank, indien de vooruitzichten verslechteren en consumenten de hand op de knip houden. Een bedrijf dat geen enkele noodzaak ziet om te investeren zal geen lening afsluiten, ook niet bij een zeer lage rente. Voor de consument is dat niet anders. Die heeft misschien al schulden of is door de crisis minder zeker van zijn of haar inkomen. De natuurlijke reactie is dan om schuldposities af te bouwen (zie het versneld aflossen op hypotheekschuld) en meer te sparen. De behoefte om nieuwe kredieten af te sluiten kan opeens wegvallen, zelfs als lenen heel goedkoop wordt gemaakt door een lage rente van de centrale bank.

U begrijpt dat het voor het individu heel verstandig is om schulden af te bouwen en te bezuinigen, maar als iedereen dat tegelijk doet levert dat grote problemen op. Het beste voorbeeld daarvan is de Grote Depressie van de jaren dertig, waarbij consumenten en bedrijven ook massaal hun schulden begonnen af te lossen en de geldhoeveelheid in een paar jaar tijd met 1/3 kromp. De centrale bank greep toen niet in, met als resultaat dat veel bedrijven over de kop gingen en veel sociale structuren verwoest werden. De werkloosheid was hoog en wat volgde was een periode van heel veel ellende.

Geldcreatie

Met de ervaring uit het verleden proberen centrale banken een allesverwoestende deflatie zoals die van de jaren ’30 van de vorige eeuw te voorkomen. Daarvoor is Quantitative Easing in het leven geroepen. De centrale bank koopt activa – zoals staatsobligaties – en verstrekt in ruil daarvoor centrale bank reserves. Aan de hand van een schematisch overzicht van de Bank of England laten we zien hoe dat in zijn werk gaat. In dit voorbeeldscenario koopt de Bank of England £1 miljard aan staatsobligaties van een pensioenfonds. Hoe gaat dat in zijn werk?

Activaruil

De centrale bank zou in theorie £1 miljard aan bankbiljetten kunnen drukken en die kunnen overhandigen aan een pensioenfonds in ruil voor de staatsobligaties. Maar omdat zoveel cash geld niet praktisch is wordt de bank waar het pensioenfonds haar bankzaken regelt als tussenpersoon gebruikt voor de transactie. Anders dan een niet-financiële instelling (zoals een pensioenfonds) heeft een commerciële bank wel een rekening bij de centrale bank, wat de transactie vereenvoudigd.

De commerciële bank waar het pensioenfonds bij aangesloten is schrijft £1 miljard bij op de bankrekening van het pensioenfonds, in ruil voor £1 miljard aan staatsobligaties. Netto krijgt het pensioenfonds er dus geen geld bij, omdat het bedrag aan staatsobligaties dat onttrokken wordt gelijk is aan het bedrag dat de bank crediteert aan het pensioenfonds. Er vindt alleen een verandering plaats in de samenstelling van de portefeuille van het pensioenfonds. Die £1 miljard aan staatsobligaties die in handen zijn gekomen van de commerciële bank worden meteen doorgesluisd naar de centrale bank. In ruil daarvoor verstrekt de centrale bank voor £1 miljard aan reserves aan de commerciële bank. Wat groeit is het balanstotaal van de centrale bank, die zojuist £1 miljard aan staatsobligaties verkregen heeft. Tegenover die bezitting staat een verplichting van £1 miljard aan de commerciële bank in de vorm van reserves. Die reserves kan een bank vervolgens aanspreken om contant geld op te vragen bij de centrale bank, bijvoorbeeld als klanten meer contant geld opnemen.

Wat is de impact van QE?

Wat betekent QE voor het pensioenfonds?

Het bovenstaande schema laat zien dat er bij het pensioenfonds niets veranderd aan de totale omvang van de balans. Slechts de samenstelling van de portefeuille verandert, omdat er geld is ingebracht in ruil voor de staatsobligaties. Het pensioenfonds kan de nieuwe tegoeden gebruiken om andere beleggingen te doen, bijvoorbeeld in bedrijfsobligaties of in staatsobligaties van andere landen. De staatsobligaties die eerder in handen waren van het pensioenfonds hebben een plekje gekregen op de activazijde van de centrale bank balans en zijn in feite aan de kapitaalmarkt onttrokken.

Wat betekent QE voor de commerciële bank?

De balans van de commerciële bank groeit als gevolg van QE, want het is de commerciële bank die het bedrag van £1 miljard heeft bijgeschreven op de rekening van het pensioenfonds. De bank heeft een nieuwe IOU aan het pensioenfonds verstrekt (deposits) en ontvangt tegelijkertijd een IOU van de centrale bank (reserves). Daar hoeft een commerciële bank niet per definitie beter van te worden. Zo lang het pensioenfonds op het nieuw verkregen banktegoed van £1 miljard blijft zitten moet de bank daar aan het einde van het jaar rente over betalen. Tegenover deze rentelasten staan ook rente-inkomsten, die de bank ontvangt van de centrale bank voor de nieuwe tegoeden die geparkeerd staan bij de centrale bank. Het is dus niet zo dat een commerciële bank ‘gratis geld’ krijgt van de centrale bank. De centrale bank kan de hoogte van deze depositorente van tijd tot tijd afstemmen op de actuele situatie.

Zorgen die extra reserves niet voor inflatie?

Vaak wordt beweerd dat al die extra reserves in het banksysteem een stuwmeer vormen voor toekomstige inflatie, omdat die reserves ook weer uitgeleend zullen worden. Dat is onjuist, want banken lenen geen reserves uit. Ook is het niet het spaargeld van uw buurman dat u leent bij de bank. Als een bank een nieuwe lening verstrekt voegt ze simpelweg het bedrag toe op de rekening van de klant (passiva zijde) en zet ze daar een vordering van hetzelfde bedrag tegenover (op de activa zijde). Banken hoeven noch reserves, noch het spaargeld van uw buurman aan te spreken om een nieuwe lening te kunnen verstrekken. De nieuwe reserves die binnen het banksysteem gecreëerd worden als gevolg van QE spelen dus geen centrale rol.

Reserves zijn slechts een verplichting van de centrale bank naar de commerciële bank toe. Met deze reserves kunnen commerciële banken onderling betalingen doen, maar ze kunnen deze niet uitlenen in de reële economie. Uiteraard kunnen de reserves van banken dalen als iedereen besluit massaal contant geld op te nemen, maar het gevolg daarvan is dat de spaartegoeden in het banksysteem met dezelfde hoeveelheid afnemen. Ook dan vindt er netto geen verandering plaats van de hoeveelheid geld in omloop.

Als gevolg van QE kan de hoeveelheid geld in omloop zelfs dalen. Indien een bedrijf op de obligatiemarkt goedkoper kan lenen dan bij de bank, dan kan een bedrijf besluiten nieuwe obligaties uit te schrijven en met het opgehaalde geld leningen bij een bank af te lossen. Als toevallig het pensioenfonds in het hierboven gegeven voorbeeld die bedrijfsobligaties koopt, dan verdwijnt er dus geld uit de economie.

Conclusie

Quantitative easing is een effectief instrument van de centrale bank om de lange rente omlaag te drukken. Door staatsobligaties of hypotheekleningen uit de markt te halen verschuift de balans tussen vraag en aanbod, met als resultaat dat de rente op het schuldpapier dat de centrale bank op haar balans plaatst daalt. Indirect geeft QE ook een neerwaartse druk op de rente van andere obligaties, omdat de vrij gekomen middelen door beleggingsfondsen gebruikt kunnen worden om andere obligaties te kopen. Het mag duidelijk zijn dat QE op de korte termijn een gunstig effect heeft op de economie, maar daarmee is niet het hele verhaal verteld. Het aankopen van staatsobligaties verstoort namelijk het rentesignaal, dat normaal gesproken een weerspiegeling geeft van risico. Als een centrale bank de obligatiemarkt ondersteunt met QE wordt het voor de financiële markten veel moeilijker om risico’s te vergelijken op basis van de rente.

Een ander mogelijk nadeel is dat de markt gewend raakt aan het stimulerende beleid van de centrale bank, waardoor het met het verstrijken van de tijd steeds moeilijk zal worden het stimuleringsprogramma af te bouwen. Het gevaar loert dat de kapitaalmarkt verslaafd raakt aan de monetaire stimulering en de kunstmatige lage rente die daar het gevolg van is. Wat als de stimulering stopt en de lange rente weer begint te stijgen? Kan de economie dat wel dragen?

Bron: Money Creation in the modern Economy

Dit artikel verscheen eerder op Marketupdate