Europa richt haar blik naar het oosten

Vorige week vond een historische ontmoeting plaats tussen de belangrijkste Europese regeringsleiders en de Chinese president Xi Jinping. De Chinese president werd ontvangen in het paleis aan de Champs-Élysées, waar hij sprak met de Franse president Macron, de Duitse bondskanselier Merkel en de voorzitter van de Europese Commissie, Jean-Claude Juncker. Inzet van de besprekingen was het versterken van de handelsrelatie tussen Europa en China, een onderwerp waar we de komende tijd nog veel vaker over zullen horen.

Uit de persconferentie die na afloop volgde werd duidelijk dat Europa niet vreest voor de snelle opmars van China als nieuwe wereldmacht. In tegenstelling tot de Verenigde Staten kiest Europa niet de weg van confrontatie, maar die van samenwerking. De regeringsleiders spraken uitgebreid over de nieuwe zijderoute, het openstellen van de markt en het bevorderen van investeringen. Ook spraken de regeringsleiders over de noodzaak om internationale instituten als het IMF en de Wereldhandelsorganisatie te hervormen.

Deze instituten werden na de Tweede Wereldoorlog vormgegeven vanuit een unipolaire wereldbeeld, dat gedomineerd werd door de Verenigde Staten. Vandaag de dag is dat beeld achterhaald, want door de val van de muur en verregaande globalisering verschuift het economische zwaartepunt weer naar het oosten. En dat gaat niet alleen gepaard met nieuwe handelsroutes, maar ook met nieuwe internationale spelregels. Zo benadrukte de Chinese president dat economische samenwerking moet plaatsvinden op basis van gelijkwaardigheid en tolerantie en niet op basis van nationalisme en protectionisme. Alleen dan kan er sprake zijn van een win-win situatie voor iedereen.

Historische bijeenkomst

De bijeenkomst tussen regeringsleiders van deze week symboliseert twee belangrijke trends. Ten eerste illustreert het de nieuwe machtsverhoudingen in de wereld, waarbij Europa haar oriëntatie verlegt naar het oosten. Het ‘Belt and Road’ programma past binnen de strategie van China om zich verder open te stellen naar de rest van de wereld. Dat China via deze zijderoute ook haar politieke invloed verder kan vergroten, dat lijkt men op de koop toe te nemen. Deze angst wordt overstemd door rationele economische motieven.

De ontmoeting was ook op een andere reden opvallend. Een week eerder werd er vooral sceptisch gereageerd toen Italië afspraken met China maakte over verdere economische samenwerking. Italië zou voor haar beurt hebben gesproken en zou zelfs ten prooi kunnen vallen aan de Chinezen, zo hoorde we uit verschillende hoeken. En nu zien we ook Duitsland en Frankrijk in de richting van China bewegen. De eenheid die EU graag wil uitstralen in haar buitenlandse beleid is dus nog steeds ver te zoeken. Uiteindelijk blijkt ieder land vooral haar eigen economische en politieke belangen na te streven. We gaan interessante tijden tegemoet!

Deze column verscheen eerder op Goudstandaard

Klimaatbeleid verdeelt Nederland

Aanstaande woensdag zijn er weer verkiezingen in Nederland. Het gaat over de provinciale staten, maar het debat in de media lijkt te worden gedomineerd door één onderwerp, namelijk klimaatverandering. Er gaat bijna geen dag voorbij dat het in de actualiteitenprogramma’s niet over dit onderwerp gaat. De meerderheid in de Tweede Kamer steunt deze plannen. Op zich niet vreemd, want wie wil er nou niet meedoen aan deze nobele taak om de wereld redden?

Hoeveel het klimaatbeleid met alle bijkomende maatregelen zal gaan kosten blijft onduidelijk, omdat veel uitgaven in het onlangs verschenen rapport niet zijn meegenomen. Kosten voor isolatie van woningen en de installatie van warmtepompen worden geschat op tienduizenden euro’s per huishouden. En dan ben je er nog niet, want een warmtepomp heeft veel stroom nodig om te kunnen werken. Het hele stroomnet en onze energievoorziening moeten dus ook op de schop, waarbij voorlopig nog steeds kolen en gas nodig is om de verwachte toename in de vraag naar elektriciteit op te vangen.

Volgens sommige partijen zijn de kosten voor de burger te overzien, omdat de overheid subsidies kan geven en goedkope leningen kan verstrekken aan huishoudens. Ook wil men de grote bedrijven meer laten betalen, waardoor die eerder zullen uitwijken naar het buitenland of de hogere kosten zullen doorberekenen aan de consument. Volgens het Centraal Planbureau zullen de hogere lasten voor bedrijven (bijvoorbeeld door een CO2-heffing of hogere energieprijzen) voor 80% worden doorberekend aan de consument.

Wat men dus niet lijkt te beseffen is dat de rekening linksom of rechtsom volledig bij de burger terechtkomt. Het idee is dat we met subsidies de hoge investeringen kunnen opvangen, maar dat werkt natuurlijk niet als iedereen daar aanspraak op wil maken. Dan betaalt u de subsidie van de buurman en de buurman die van u. Per saldo schiet je er dus niet veel mee op. Toch worden subsidies – bijvoorbeeld voor zonnepanelen, windmolens, biomassa en elektrische auto’s – uitgelegd als een voordeel voor de burger die de energietransitie wil maken.

Rekenen met subsidies

Vorig jaar werd een doorrekening gemaakt van de kosten van windmolenparken op zee. En wat bleek, het bouwen van dit soort parken wordt inderdaad met de jaren goedkoper, maar zonder de gesubsidieerde infrastructuur om de windmolens aan te sluiten op het elektriciteitsnet kan het allemaal niet uit. Maar toch wordt het project met veel bombarie gepresenteerd als subsidievrij.

Dit is een van de vele voorbeelden van het grote probleem met klimaatbeleid, namelijk dat veel politici niet transparant zijn over de werkelijke kosten. Er worden rekenmodellen gebruikt waarin een deel van de kosten worden doorberekend aan de toekomst of worden afgewenteld op de samenleving als geheel.

Niet alleen betaalt u via belastingen mee aan deze plannen, ook wordt uw pensioenfonds verplicht om de staatsschuld van de overheid te financieren. Direct en indirect gaat een steeds groter deel van uw inkomen naar de overheid, om nog maar te zwijgen over het verlies van koopkracht door de inflatie en de lage rente.

Teveel overheid?

Politieke partijen discussiëren voortdurend over de vraag welke taken de overheid zou moeten vervullen. Wat door de één wordt gezien als een taak voor de overheid wordt door een ander gezien als een taak voor de vrije markt. Deze discussie is essentieel in een goed functionerende democratie.

Een overheid is er om excessen van de vrije markt tegen te gaan en te voorkomen dat er teveel macht in handen komt van een kleine groep mensen. Maar aan de andere kant van het spectrum schuilt ook een gevaar, want wat moeten we doen tegen excessen van de overheid? Ook de overheid kan een bedreiging worden, wanneer deze de vrijheid van het individu teveel beperkt.

De macht van de staat is naar mijn mening te groot geworden als ze de samenleving op miljarden aan kosten kan jagen voor een klimaatbeleid, waarvan niet eens bewezen is dat het gaat werken. Vrijwel iedereen is het erover eens dat het klimaat voortdurend verandert, maar de vraag is in hoeverre dat komt door toedoen van de mens. Daar is zeker geen consensus over, zoals vaak wordt beweerd. En toch wordt je als burger verplicht om eraan mee te betalen, volgend jaar mogelijk al €1.600 per gezin.

Stel dat de mensheid inderdaad een grote bijdrage levert aan de opwarming van de aarde, zou het dan niet veel slimmer zijn om dat geld ergens anders te investeren waar veel meer rendement te behalen valt? Nederlandse kolen- en gascentrales behoren al tot de schoonste ter wereld. Waarom zou je die sluiten, als elders in de wereld in hoog tempo meer vervuilende kolencentrales worden bijgebouwd. De impact van het klimaatbeleid in Nederland op de hele wereld staat niet in verhouding tot de kosten die ermee gemoeid zijn. Dat vereist een wereldwijde aanpak, waarbij we de meest geavanceerde technieken uitrollen over de rest van de wereld.

En als het doel is om de kwaliteit van leven op deze aarde te verbeteren, dan kunnen we dat geld waarschijnlijk beter investeren in toegang tot schoon drinkwater, beter voeding en hygiëne in ontwikkelingslanden en handelsbarrières wegnemen om de economieën van de armste landen meer kans te geven. Maar dat is weer een heel ander thema.

De verkiezingen van aanstaande woensdag zullen door veel kiezers worden aangegrepen om een stem uit te brengen over het regeringsbeleid. De polarisering van het klimaatdebat doet vermoeden dat de partijen met de meest uitgesproken mening over dit onderwerp zullen winnen. Het is de vraag of dat de regeerbaarheid van het land ten goede komt.

Deze column verscheen eerder op Goudstandaard

Centrale banken weten het niet meer

Centrale banken hebben het er de laatste jaren maar druk mee. Zo is het aantal toespraken dat ze jaarlijks geven in de periode van 1998 tot 2014 verzesvoudigd. Sinds de financiële crisis communiceren ze niet alleen over hun monetaire beleid, maar proberen ze de markt ook met woorden in een bepaalde richting te sturen. Denk aan centraal bankiers die zeggen dat ze de rente nog lang laag zullen houden of dat ze zullen ingrijpen, mocht dat ooit weer nodig zijn. ‘Forward guidance’ noemen we dat.

Forward guidance wordt door centrale banken uitgelegd als een nieuw beleidsinstrument, maar eigenlijk betekent het dat de bodem van de gereedschapskist van centrale banken in zicht is. Het is alsof je een centraal bankier vraagt om een hamer en hij een papiertje geeft met daarop een tekening van een hamer.

Centrale banken geven steeds meer toespraken

Centrale banken praten steeds meer, maar zeggen steeds minder

In 2017 publiceerde de Zwitserse centrale bank nog een onderzoek over dit onderwerp. Daaruit bleek dat een toename van het aantal persconferenties van centrale banken helemaal niet zorgde voor meer duidelijkheid bij het publiek. Integendeel, de markt kreeg juist meer tegenstrijdige geluiden te horen, waardoor het moeilijker werd om het beleid van centrale banken te voorspellen. Uit de conclusie van het onderzoek van Thomas Lustenberger en Enzo Rossi:

“Meer communicatie produceert voorspellingsfouten en vergroot de spreiding. Dit inzicht was voorzien door Simon (1971), die zei dat “een overvloed aan informatie een armoede van aandacht creëert.” Het sluit ook aan bij de conclusies getrokken door bijvoorbeeld Morris & Shin (2002), Sims (2003), Kahneman (2003) en Blinder (2004). Zij stellen dat ongecoördineerde communicatie de signaal-ruisverhouding juist kan verlagen in plaats van verhogen, en daarmee de effectiviteit van het monetaire beleid kan belemmeren.

Anders gezegd, een centrale bank die spreekt met een kakofonie van stemmen heeft in feite misschien helemaal geen stem. Minder spreken kan dus gunstig zijn voor centrale banken die de voorspelbaarheid en homogeniteit tussen financiële en macro-economische voorspellingen willen vergroten. We leveren enig bewijs dat dit in het bijzonder waar voor kan zijn centrale banken waarvan het transparantieniveau al hoog is.

Nog minder succesvol op het gebied van het voorspellen is het beleid van forward guidance, zoals nagestreefd na de financiële crisis. Het beïnvloedde noch de fouten noch de spreiding van de rente en opbrengstprognoses.”

Terug bij af?

De laatste jaren zit de wereldeconomie weer in een opwaartse trend. Dat herstel hebben we voor een belangrijk deel te danken gehad aan het ingrijpen van centrale banken. Met structurele opkoopprogramma’s en liquiditeitssteun voor banken werd het vertrouwen in schuldpapier hersteld. Daardoor kwam ook de kredietverlening aan consumenten en bedrijven weer op gang.

We kunnen onszelf op de borst kloppen voor de economische groei van de laatste jaren, maar de vraag is of de economie ook zo goed blijft draaien zonder al die stimulering door centrale banken. De Federal Reserve zette haar geplande renteverhoging begin dit jaar niet door, omdat de vooruitzichten voor de economie te onzeker werden. De ECB is nog maar net gestopt met het opkopen van staatsobligaties en er wordt alweer gesproken over een nieuwe ronde van liquiditeitssteun aan banken. Ondertussen overweegt de Bank of Japan extra monetaire stimulering om een waardestijging van de munt te voorkomen.

Om een lang verhaal kort te maken, het economische herstel van de afgelopen jaren is voor een belangrijk gedeelte te danken aan het ruime monetaire beleid van centrale banken. De gewenste ‘normalisering’ blijkt een moeizaam en pijnlijk proces, waarbij een nieuwe recessie gemakkelijk kan worden uitgelokt.

Hoe nu verder?

Centrale banken balanceren op een smal pad tussen deflatie en inflatie. Dat maakt dat ze heel weinig speelruimte hebben om effectief beleid te voeren. Een onvoorzichtige stap in de verkeerde richting – en die hoeft niet per se van centrale banken te komen – kan een keten van gebeurtenissen veroorzaken die leidt tot een nieuwe crisis.

Mario Draghi zei laatst tijdens een hoorzitting in het Europees Parlement dat groei de beste manier is om uit de schulden te komen. In dit scenario worden schulden door inflatie makkelijker te betalen, maar de keerzijde is dat ook de waarde van het geld verder wordt uitgehold. En dat betekent verlies van koopkracht, zeker voor de lagere inkomens. En dat voedt het wantrouwen van de bevolking ten aanzien van overheden en centrale banken.

Centrale banken moeten in deze onzekere tijden rekening houden met verschillende scenario’s. Dat betekent dat ze ook moeten anticiperen op de negatieve effecten van meer protectionisme en economische oorlogsvoering in de wereld. Als centrale banken wereldwijd besluiten meer goud te kopen en in toenemende mate goudvoorraden terughalen naar eigen land, dan is dat wat mij betreft zeker een teken aan de wand. We zouden wat meer moeten kijken naar wat centrale banken doen en minder moeten luisteren naar wat ze zeggen.

Deze column verscheen eerder bij Goudstandaard

Hoe kunnen we ons pensioenstelsel hervormen?

Onlangs was Klaas Knot, president van de Nederlandse Bank, te gast bij Buitenhof. In de uitzending hield hij een pleidooi voor het versterken van buffers van huishoudens. Ook sprak hij zijn voorkeur uit voor het aanscherpen van de hypotheekverlening om de Nederlandse economie weerbaarder te maken. Zo moet de maximale leencapaciteit volgens hem geleidelijk omlaag naar 90% van de waarde van het huis.

Als huishoudens meer eigen geld moeten meenemen om een huis te kopen, dan heeft dat op termijn twee belangrijke voordelen. Niet alleen komen huishoudens minder snel onder water te staan in een volgende crisis, ook neemt het risico voor de banken af.

Het klinkt als een win-win situatie, maar Klaas Knot vertelt er niet bij dat veel huishoudens niet over de luxe van een grote financiële buffer beschikken. Als je hebt gestudeerd begin je waarschijnlijk al met een studieschuld, waardoor het lastig is een huis te kopen. Ga je huren, dan ben je daar tegenwoordig zoveel geld aan kwijt dat je nog jaren bezig bent om voldoende geld te sparen voor de aankoop van een huis.

Van pensioenfonds naar eigen woning

Starters op de woningmarkt hebben vaak nog maar weinig vermogen opgebouwd, maar als ze een hypotheek kunnen krijgen betekent het dat ze wel een goed inkomen hebben. Mogelijk gaat een deel van hun inkomen rechtstreeks naar een pensioenfonds, terwijl starters dat geld goed kunnen gebruiken om vermogen op te bouwen in hun eigen woning.

Als je van huishoudens vraagt om een financiële buffer op te bouwen, dan moet je ze ook meer mogelijkheden bieden om dat te doen. In dat opzicht biedt ons huidige pensioenstelsel te weinig flexibiliteit. Juist aan het begin van je carrière kun je het geld goed gebruiken om een financiële buffer op te bouwen. En waarom zou je mensen niet de kans geven om pensioenvermogen op te bouwen via hun eigen woning?

In plaats van een verplichte afdracht aan een pensioenfonds zou je ook kunnen kijken naar de mogelijkheid om in de eerste jaren van je carrière verplicht wat af te lossen op je nieuwe huis. Zo kun je in een paar jaar tijd de zogeheten ‘loan to value’ substantieel verlagen, ook voor huishoudens die weinig geld over hebben om opzij te zetten.

Maak het pensioenstelsel flexibeler

Deze week maakte de Nederlandsche Bank bekend dat de financiële positie van pensioenfondsen in het vierde kwartaal behoorlijk was verslechterd. Het totale vermogen van alle fondsen daalde met €46 miljard, terwijl de pensioenverplichtingen juist met €40 miljard toenamen. Door de onrust op de beurs is er in korte tijd zoveel vermogen verdampt dat veel pensioenfondsen waarschijnlijk moeten korten op de uitkeringen.

Optimisten zullen de problematiek van een te lage dekkingsgraad bagatelliseren. Ze zullen zeggen dat de beurs vanzelf wel weer herstelt, waardoor de achterstand wordt ingelopen. Maar de praktijk is dat pensioenfondsen sinds de crisis nauwelijks hebben kunnen indexeren. Met andere woorden, de pensioenuitkeringen stijgen de laatste tien jaar onvoldoende mee met de inflatie.

De voortdurende onzekerheid over rekenrentes en dekkingsgraden en de grillen van de financiële markten hebben het vertrouwen in pensioenfondsen bepaald geen goed gedaan. En dat is opvallend, als je bedenkt dat pensioenfondsen bijna nergens in de wereld zoveel vermogen in kas hebben als in Nederland.

Dekkingsgraad pensioenfondsen opnieuw onder druk  (Bron: DNB)

Het probleem is dan ook niet dat we te weinig geld opzij zetten voor ons pensioen, maar dat we er als deelnemer zo weinig over te zeggen hebben. Het geld wordt ingehouden van je loon en verdwijnt op de grote hoop, waar het belegd wordt in een breed scala aan financiële producten als aandelen en (staats)obligaties. Er is een hele financiële industrie omheen gebouwd van fondsen waar de pensioenfondsen weer in beleggen.

Kunnen we dit systeem niet flexibeler maken? Waarom zouden we starters niet de mogelijkheid kunnen bieden om eerst een paar jaar vermogen op te bouwen in hun eigen woning in plaats van het naar een pensioenfonds te brengen? Uiteindelijk is ook de eigen woning een vorm van vermogen waar je later als gepensioneerde gebruik van kunt maken.

Deze column verscheen eerder op Goudstandaard

Wat heeft 20 jaar euro ons opgeleverd?

Het is alweer twintig jaar geleden dat de euro werd ingevoerd. Twaalf landen besloten in 1999 om hun monetaire soevereiniteit op te geven en in te ruilen voor een gemeenschappelijke munt. Het idee was dat de euro meer stabiliteit en verdere economische integratie zou brengen. Dat zou een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan de vrede en de welvaart op het continent. Heeft de euro deze beloftes waargemaakt?

Een nieuwe valuta

Na het uiteenvallen van het Bretton Woods systeem met vaste wisselkoersen zochten Europese landen naar een nieuwe vorm van monetaire stabiliteit. Het vertrouwen in de dollar was behoorlijk afgenomen, omdat de Amerikaanse regering structureel meer geld bleef uitgeven dan er binnenkwam. Na het loslaten van de koppeling aan goud zat er bijna geen rem meer op de schuldengroei en werd dit probleem alleen maar groter.

Europa wilde niet langer de tekorten van de Verenigde Staten financieren en besloot daarom een eigen munt te ontwikkelen. Dat idee bestond overigens al veel langer, maar de urgentie om die stap te zetten was er aanvankelijk nog niet. Voor sommige landen was de gemeenschappelijke munt een instrument om minder afhankelijk te worden van de Amerikaanse dollar. Anderen wilden een muntunie om te voorkomen dat Duitsland te dominant zou worden op het Europese continent.

Twintig jaar na de lancering van de euro kunnen we concluderen dat de munt een aantal beloftes heeft waargemaakt. Europa heeft de zwaarste crisis sinds de jaren dertig doorstaan, zonder dat dit ontaarde in een valutaoorlog of handelsoorlog. Solidariteit werd het uitgangspunt, ook al was dat geen populair verhaal in de ‘sterkere’ eurolanden.

Wisselkoers van de euro sinds introductie (Bron: Bloomberg)

Schuldencrisis

Tijdens de Europese schuldencrisis werd Griekenland afgesloten van de kapitaalmarkt en werd ze aangewezen op een noodfonds, waar de belastingbetalers van de noordelijke eurolanden voor garant moesten staan. Toen ook andere grote eurolanden als Italië en Spanje in de problemen kwamen besloot de ECB in te grijpen, eerst door staatsobligaties van eurolanden min of meer te garanderen (LTRO) en later door schuldpapier in zijn geheel uit de markt te halen (QE).

Door het ingrijpen van de centrale bank werden de problemen in de muntunie niet verholpen, maar slechts onder het tapijt geveegd. Met het opkopen van staatsobligaties en het verlagen van de rente heeft de centrale bank tijd gekocht, kostbare tijd die ingezet moet worden om de muntunie sterker te maken.

De schuldencrisis heeft laten zien dat het project van de gemeenschappelijke munt nog lang niet voltooid is. Om effectief monetair beleid te kunnen voeren moeten Europese landen ook een degelijk fiscaal beleid voeren. Daarom werden al bij het begin van de muntunie afspraken gemaakt over het begrotingstekort en de staatsschuld, afspraken die helaas niet werden nageleefd.

De begrotingsregels zijn inmiddels wat strenger geworden, maar dat is geen garantie dat Europese landen zich eraan zullen houden. Italië probeerde de Europese regels te overtreden, terwijl de regering in Frankrijk het tekort volgend jaar tot boven het maximum van 3% laat oplopen.

Balanstotaal ECB sterk toegenomen door QE-programma

Economisch én politiek project

De gemeenschappelijke munt is niet alleen een economisch, maar ook een politiek project. De economische voordelen van de euro zijn voor de meeste mensen evident. Je kunt in verschillende landen met dezelfde munt betalen en bedrijven en investeerders ondervinden minder barrières en valutarisico als ze in het buitenland zaken willen doen.

De zwakheid van de euro zit vooral in het politieke aspect. Europese begrotingsregels en structurele hervormingen zijn noodzakelijk om de muntunie op lange termijn goed te laten functioneren, maar dat zijn geen thema’s waar je tijdens de verkiezingen veel stemmen mee zult winnen. Sterker nog, de laatste jaren winnen de eurosceptische partijen aan populariteit.

Internationale rol

De euro is twintig jaar na de introductie uitgegroeid tot de tweede belangrijkste valuta ter wereld. De munt wordt door steeds meer landen gezien als een bruikbaar alternatief voor de dollar. Het aantal landen dat de munt gebruikt is in de loop der jaren gegroeid van twaalf naar negentien. Daarnaast zijn er ook verschillende landen die hun eigen munt gekoppeld hebben aan de euro.

De euro wordt door haar omvang en reputatie als neutrale valuta inmiddels ook erkend als internationale handelsmunt. Iran rekent haar olie tegenwoordig af in euro’s, terwijl er ook uit Rusland geluiden komen om olie en gas in de Europese munt af te rekenen. De Europese Commissie wil de euro ook meer promoten als alternatief voor de dollar in internationale transacties. Dat is een veelbelovende ontwikkeling, die waarschijnlijk niet mogelijk was geweest als alle Europese landen aan hun eigen munt hadden vastgehouden

Deze column verscheen eerder op Goudstandaard

Column: Bijdrukken of afstempelen?

Sinds het uitbreken van de financiële crisis hebben centrale banken op grote schaal staatsobligaties en ander schuldpapier opgekocht om te voorkomen dat overheden en de bankensector in de problemen zouden komen. Onderpand dat door de markt niet meer vertrouwd werd kwam terecht bij de centrale bank, waardoor de kredietverlening van banken weer op gang kwam en zorgen over de enorme schulden naar de achtergrond verdwenen.

Bijna tien jaar na het uitbreken van de crisis hebben de grootste centrale banken in de wereld voor $21,7 biljoen aan activa op hun balans staan en de verwachting is dat het totaal volgend jaar september verder gegroeid zal zijn tot ongeveer $24 biljoen. Ter vergelijking, voor de grote financiële crisis van 2008 hadden centrale banken slechts voor een paar biljoen dollar aan bezittingen op hun balans staan.

Ongekend monetair experiment

In de hele geschiedenis van de mensheid is het nog nooit eerder voorgekomen dat centrale banken wereldwijd op zo’n grote schaal moesten ingrijpen om het financiële systeem overeind te houden. Maar in plaats van lessen te leren van de vorige crisis en onze schulden terug te brengen (‘deleveraging’) doen we al jaren precies het tegenovergestelde.

Huishoudens, bedrijven en overheden worden door de lage rente aangespoord meer geld te lenen. Projecten en bedrijven die onder normale omstandigheden niet rendabel waren worden opeens wel rendabel, met als enige voorwaarde dat de rente zo laag blijft als dat ie nu is…

Doordat centrale banken nu al tien jaar de geldkraan wagenwijd open hebben gezet zijn er weer nieuwe bubbels ontstaan, onder meer in aandelen, obligaties en vastgoed. Het is dan ook geen wonder dat de economie weer groeit, al is het maar een paar procent per jaar. Ondertussen groeien de schulden veel harder, waardoor we er in een volgende crisis in feite nog beroerder voor staan dan in het najaar 2008.

Centrale banken hebben de controle verloren

Centrale banken proberen de schijn hoog te houden dat ze de situatie nog steeds onder controle hebben. Mario Draghi van de Europese Centrale Bank praat over een halvering van zijn stimuleringsprogramma, terwijl Janet Yellen van de Federal Reserve al stappen zet richting het verkleinen van de balans.

Het zijn mooie woorden van de centrale bankiers, maar de realiteit is dat zij wereldwijd de afgelopen 12 maanden voor in totaal $1,6 biljoen aan hun balans hebben toegevoegd. Vergeleken daarmee is de $10 miljard die de Federal Reserve iedere maand van haar balans af haalt een ‘verwaarloosbaar’ bedrag.

Dit gegeven, plus het feit dat de rente nog steeds amper verhoogd wordt, geeft aan dat centrale banken nog maar heel weinig speelruimte over hebben voor als er een nieuwe crisis uitbreekt. Wat kunnen de hoeders van ons financiële systeem dan nog doen?

Afstempelen of bijdrukken?

Het is belangrijk om te beseffen dat centrale banken niet failliet kunnen gaan, omdat ze alle schuldverplichtingen in hun eigen valuta altijd na kunnen komen. Breekt er in de toekomst een nieuwe crisis uit, dan zijn er in hoofdlijnen twee verschillende scenario’s mogelijk.

In het beste geval kunnen centrale banken besluiten om bijvoorbeeld staatsobligaties op hun eigen balans af te stempelen. In dat geval daalt de schuldenlast van overheden en krijgen die weer meer speelruimte om de economie met ‘Keynesiaans stimuleren’ aan te zwengelen. Vergelijkbaar met de stimuleringsprogramma’s van 2008 en 2009, maar dan op een veel grotere schaal.

Een minder prettig scenario is dat beleggers het vertrouwen in staatsobligaties kwijtraken en de rente sterk begint te stijgen. Op dat moment worden centrale banken min of meer gedwongen om alle schulden op haar balans te zetten die de markt niet meer wil hebben, om maar te voorkomen dat het vertrouwen in het geld wegvalt. En dat betekent dat opnieuw de geldpers aan zal gaan, maar dan in een veel hogere versnelling.

Misschien ben ik te somber en kunnen we dankzij technologische innovaties uit deze wereldwijde schuldenproblematiek groeien. Maar het meest waarschijnlijke scenario is dat het fundament van sparen in schulden onder onze voeten wegzakt en we (tijdelijk) een solide anker nodig hebben.

Verschillende centrale banken, zoals die van China en Rusland, zijn al aan het voorsorteren op een dergelijk scenario door hun dollarposities af te bouwen en hun goudreserves verder uit te breiden. Laten we hopen dat centrale banken dat goud niet nodig hebben, maar een gewaarschuwd mens telt voor twee.

Frank Knopers

Deze column van Frank Knopers verscheen eerder op Goudstandaard

Confiscatie van zilver?

De meeste mensen die beleggen in edelmetalen zijn wel bekend met de confiscatie van goud in de Verenigde Staten in 1933. De toenmalige Amerikaanse president Roosevelt gaf met ‘Executive Order 6102‘ opdracht aan alle burgers om hun gouden munten, goudbaren en goudcertificaten in te leveren tegen een vastgestelde koers van $20,67 per troy ounce. Deed je dat niet, dan riskeerde je een hoge boete oplopend tot $10.000 of een gevangenisstraf van maximaal 10 jaar.

Toen de Amerikaanse centrale bank genoeg goud had binnengehaald werd de dollar gedevalueerd, van $20,67 naar $35 per troy ounce goud. En daarmee had de Amerikaanse overheid in feite een deel van het vermogen van haar bevolking in beslag genomen. Na de devaluatie kreeg je voor iedere 100 troy ounce goud nog maar 59 troy ounce voor hetzelfde geld, een devaluatie van 41%.

Confiscatie goud in 1933 onder ‘Executive Order 6102’

Confiscatie van zilver?

De nationalisatie van goud is bij velen bekend, maar wat veel minder mensen weten is dat ook zilver niet veel later genationaliseerd werd. Dezelfde regering onder leiding van Roosevelt kwam in augustus 1934 met ‘Executive Order 6814‘, wat in feite een nationalisatie van de binnenlandse zilvervoorraad was. De regering publiceerde zelfs een document getiteld ‘Hoarders of Silver‘, waarin de grootste particuliere bezitters van zilver vermeld werden.

Alle zilverbaren moesten bij de Amerikaanse overheid worden ingeleverd tegen een zilverprijs van $0,50 per troy ounce, terwijl zilvermijnen hun voorraden voor een hogere prijs van $0,645 per troy ounce aan de regering moesten verkopen. In de negentig dagen dat deze maatregel van kracht was werd er in totaal iets meer dan 100 miljoen troy ounce zilver ingeleverd.

In 1934 moest ook het zilver ingeleverd worden

Zilver versus goud

Een belangrijk verschil tussen de confiscatie van goud en zilver was dat er in het geval van zilver een uitzondering werd gemaakt voor muntgeld. Dat is op zich niet vreemd, omdat daar in die tijd een aanzienlijk hoeveelheid zilver voor gebruikt werd. De dollarmunten bestonden toen tenslotte nog voor 90% uit zilver.

Met het uit omloop halen van de gouden munten in 1933 kwam er dus meer vraag naar andere vormen van geld, zoals dollarbiljetten en zilveren dollarmunten. Dit verklaart waarschijnlijk ook waarom er minder dan een jaar na de nationalisatie van goud ook een nationalisatie van zilver volgde. Een andere mogelijke verklaring is dat men onder de confiscatie van goud uit probeerde te komen door zilverbaren aan te houden.

Vergelijken we de nationalisatie van goud met die van zilver, dan kwamen de particulieren die hun zilver inleverden er in die tijd veel beter van af. Terwijl de dollar in 1934 in één keer met ruim 40% werd gedevalueerd ten opzichte van goud duurde het nog jaren voordat de dollar evenveel in waarde gedaald was ten opzichte van zilver.

Frank Knopers

Deze column van Frank Knopers verscheen eerder op Goudstandaard

Zijn de dagen van de petrodollar geteld?

De macht die de Verenigde Staten vandaag de dag geniet hangt voor een belangrijk deel samen met het gegeven dat de meeste olie en andere grondstoffen wereldwijd in dollars worden afgerekend. Daarmee is de dollar letterlijk een wereldmunt, die gebruikt wordt op het moment dat twee landen met verschillende valuta handel willen drijven.

Omdat de Amerikaanse dollar nog steeds in meer dan 60% van alle internationale transacties gebruikt wordt is het voor de rest van de wereld dus ook zinvol om dollars als reserve aan te houden. Je kunt deze munt vrijwel overal gebruiken en daarmee is de dollar nog steeds de meest liquide munt.

De Verenigde Staten heeft er natuurlijk alle belang bij om de bankier van de wereld te blijven, want zo lang andere landen de dollar blijven gebruiken en deze als reserve aanhouden blijft er voortdurend vraag naar deze valuta. En dat heeft ervoor gezorgd dat de Verenigde Staten al decennia lang jaar in jaar uit veel meer geld kunnen uitgeven dan er binnenkomt, waardoor de Amerikaanse bevolking ver boven haar stand kan leven en waarmee een gigantisch militair apparaat gefinancierd kan worden waar geen enkel land zich tegen kan of wil verzetten.

Euro

Met de introductie van de euro in 1999 besloten Europese landen afscheid te nemen van dit onrechtvaardige dollarsysteem. Vanaf dat moment konden zij onderling met hun eigen gemeenschappelijke valuta handel drijven, zonder afhankelijk te zijn van Amerikaanse dollars of Duitse marken. De Europese muntunie begon met twaalf landen, maar telt er nu al negentien…

Met de komst van de euro was er voor Europese landen (maar ook voor belangrijke handelspartners van de Eurozone) opeens minder noodzaak om dollars als reserve aan te houden. En dat zien we ook terug aan de valutareserves van de Eurolanden, want daarin heeft de Amerikaanse munt een betrekkelijk klein aandeel. Ook Rusland, dat veel handel drijft met Europa, houdt naar verhouding een relatief groot deel van haar valutareserves in euro aan.

Multipolaire wereld

Vijftien jaar na de introductie van de euro zijn de economische machtsverhoudingen in de wereld drastisch veranderd. China heeft een indrukwekkende economische groei doorgemaakt en kent nu een middenklasse die in omvang vergelijkbaar is met bijvoorbeeld Europa of de Verenigde Staten. Ook India groeit snel en is inmiddels een belangrijke afzetmarkt voor veel bedrijven.

Rusland lag eind jaren negentig na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie compleet overhoop en werd geplaagd door corruptie en oligarchen die zichzelf straffeloos konden verrijken. Van de industrie was weinig meer over en het land had vrijwel geen valutareserves. Maar nu is het land een stuk welvarender, is het één van de grootste olie- en gasproducenten ter wereld en heeft het ook op technologisch gebied een inhaalslag gemaakt met het Westen.

Door deze ontwikkelingen is de wereld veel minder op de Verenigde Staten toegespitst dan in de tweede helft van de vorige eeuw. En dat betekent ook dat het helemaal niet meer zo vanzelfsprekend is om het dollarsysteem te blijven ondersteunen waar vooral de Verenigde Staten van profiteren.

Euro’s, roebels en yuan

Rusland en China promoten de laatste jaren actief het gebruik van hun eigen roebel en yuan in het regionale handelsverkeer, terwijl Iran vorig jaar een doorbraak forceerde door olie niet langer in dollars maar in euro’s af te rekenen.

Het is dat Europa steeds sancties oplegt aan Rusland, anders had Rusland misschien al lang haar aardgas in euro’s willen afrekenen. Ook Poetin weet dat dat een zeer effectieve manier is om de financiële machtspositie van de Verenigde Staten te doorbreken, net als het kopen van goud een manier is om minder afhankelijk te worden van de dollar.

Saoedi-Arabië

Deze week kwam het zoveelste signaal dat erop wijst dat de dagen van de dollar als wereldmunt geteld zijn. Saoedi-Arabië maakte deze week na topoverleg met China bekend dat ze voortaan ook obligaties in Chinese yuan wil uitschrijven. En de beste manier voor Saoedi-Arabië om dit soort leningen af te betalen is om yuan te vragen voor olie die ze naar China exporteert.

Deze week maakte de Amerikaanse regering bekend nieuwe sancties op te willen leggen aan Venezuela, met als doel het land af te knellen van dollars. Venezuela is net als Saoedi-Arabië een belangrijke olieproducent. Deze nieuwe sancties kunnen president Maduro dus aanmoedigen om olie in euro’s of in yuan te verhandelen. Is de tijd van de petro-euro en de petro-yuan aangebroken?

Frank Knopers

Deze column verscheen eerder op Goudstandaard

Hypotheekrenteaftrek is een subsidie voor banken

De hypotheekrente is een middel om het eigen woningbezit te stimuleren. Door de kopers van een huis een belastingvoordeel te geven zouden meer mensen in staat zijn een eigen huis te kopen. De gedachte achter deze maatregel is dat kopers beter voor hun huis zorgen dan huurders en dat daarmee de kwaliteit van leven in de buurt zou verbeteren en dat de waarde van de huizen daardoor zou stijgen.

De laatste jaren is deze maatregel echter steeds vaker onderwerp van discussie, vooral in negatieve zin. Door de financiële crisis van 2008 kwamen honderdduizenden huishoudens onder water te staan, omdat de hypotheekschuld veel hoger was dan de waarde van hun huis. Daarnaast waren er allerlei nieuwe en risicovolle hypotheekvormen ontstaan die mensen in staat stelden nog meer te lenen, zoals de aflossingsvrije hypotheek en de beleggingshypotheek.

Volgens cijfers van de Nederlandsche Bank bestond de hypotheekschuld bij de vier grootste banken eind 2016 voor circa 60% uit gedeeltelijk of volledig aflossingsvrije hypotheken. De totale hypotheekschuld is met €650 miljard, omgerekend 95% van het bbp, zelfs een van de hoogste ter wereld. Dat zijn praktijken die in de meeste landen onbekend of zelfs verboden zijn!

Hogere schulden

Door de uitzonderlijk ruime kredietverlening in Nederland hebben we collectief een enorme vastgoedzeepbel opgeblazen. Voor de crisis dachten huizenbezitters vermogend te zijn door de overwaarde op hun huis, maar na de crisis werd pijnlijk duidelijk dat dit een illusie was. Nu de huizenprijzen weer stijgen lijken we dezelfde fouten weer te herhalen, omdat er fundamenteel geen grote hervormingen hebben plaatsgevonden op de woningmarkt.

De verlaging van het maximale leenbedrag stelt weinig voor, terwijl de toekomstige restschuldproblematiek onder een tapijt wordt geschoven dat Nationale Hypotheekgarantie heet. Dankzij dit garantiefonds verdwijnt het gevaar van een restschulden weliswaar voor het individu, maar niet voor de samenleving als geheel. Hoe solide is dit garantiefonds als het echt mis gaat?

Hypotheekrenteaftrek afbouwen

Moeten we deze subsidie op schuld nog langer in stand houden? En wat zijn de gevolgen voor het woningbezit en voor de huizenprijzen als we de hypotheekrenteaftrek afbouwen? Precies die vragen worden beantwoord in een zeer recente studie van Jonathan Gruber, Amalie Jensen en Henrik Kleven. Zij onderzochten de gevolgen van een drastische versobering van de hypotheekrenteaftrek die eind jaren tachtig heeft plaatsgevonden in Denemarken.

Uit dat onderzoek komen een aantal interessante conclusies naar voren. Zo blijkt dat het afbouwen van de subsidie in Denemarken geen enkel effect had op het eigen woningbezit, enkel op de leeftijd waarop mensen een huis kopen. Die ging vanaf eind jaren tachtig een paar jaar omhoog, maar uiteindelijk wisten evenveel mensen een eigen woning te bemachtigen. Het positieve effect van het versoberen van de hypotheekrenteaftrek in Denemarken is dat huishoudens zich daarna minder diep in de schulden staken. Doordat er minder geleend kon worden voor een huis ging men wel iets kleiner wonen.

De onderzoekers concluderen dat er weinig redenen te bedenken zijn om een vorm van hypotheekrenteaftrek in stand te houden. De maatregel die wordt aangeprezen als een extraatje voor de huizenbezitter zorgt er in de praktijk niet voor dat meer mensen een eigen huis kunnen veroorloven. Wel zorgt deze subsidie ervoor dat huishoudens zich dieper in de schulden steken en dat overheden meer geld kwijt zijn aan deze subsidie. De hypotheekrenteaftrek is dus vooral een subsidie voor de banken…

Frank Knopers

Deze column verscheen eerder op Goudstandaard

Eigen woningbezit in Denemarken bleef vrijwel gelijk na afbouw

Deens huishoudens kopen later een eigen huis, maar niet minder vaak

Huishoudens in Denemarken gingen wel iets kleiner wonen

Lagere hypotheekschulden zorgen voor lagere rentelasten

Leen je rijk!

Als kind was ik altijd al vrij spaarzaam. Ik legde iedere maand zoveel mogelijk van mijn zakgeld opzij, zodat ik kon sparen voor een nieuwe trein of spaceshuttle van LEGO. Toen ik ouder werd begon ik met een bijbaantje en spaarde ik voor een andere hobby, namelijk computers.

Het idee dat je eerst moet sparen voordat je iets kon kopen beschouwde ik als iets vanzelfsprekends, totdat ik begon met studeren en opeens bijna gratis geld kon lenen van de IB-Groep (later DUO genoemd). Dat werd zelfs zo aantrekkelijk gemaakt dat het loonde om maximale studiefinanciering op te nemen en dat geld vervolgens op een spaarrekening te parkeren tegen een hogere rente. Dat veel studenten niet van die mogelijkheid gebruik maken en het geld besteden aan allerlei andere dingen is een tweede, maar het leerde mij wel dat het heel aantrekkelijk kan zijn om te lenen in plaats van te sparen.

Lenen loont meer dan sparen

Zo ging ik eind 2015 naar de bank om een hypotheek aan te vragen voor de aankoop van een appartement. Dat was in de tijd dat je nog rustig verschillende appartementen kon bekijken en je zelfs in een stad als Haarlem vaak nog ruimte had om beneden de vraagprijs te bieden. Ik kocht een appartement onder de vraagprijs en door de lage rente waren mijn maandlasten amper hoger dan in de (veel kleinere) studio die ik eerst huurde. De bank hoefde alleen maar een loonstrookje te zien en de rest was zo geregeld.

Door de extreem lage rente zijn er veel meer mensen zoals ik op zoek gegaan naar een koopwoning, met als gevolg dat de huizenprijzen in de grote steden weer de pan uit rijzen. Iedereen steekt zich weer vol in de schulden, omdat kopen op maandbasis nog steeds goedkoper is dan huren of omdat de verwachting is dat de economie zal blijven groeien en huizenprijzen daarom zullen blijven stijgen.

Door de gekte op de huizenmarkt heb ik in anderhalf jaar tijd waarschijnlijk net zoveel vermogen aan overwaarde opgebouwd als dat ik in de afgelopen tien jaar bij elkaar heb gespaard door hard te werken en relatief zuinig te leven! Waarom zou je nog sparen als je rijk kunt worden door te lenen en een huis te kopen?

Huizenmarkt als bron voor nieuwe crisis?

Voor mij als individu is het natuurlijk erg prettig dat de waarde van mijn huis stijgt, maar voor de samenleving als geheel is deze ontwikkeling op de huizenmarkt juist ongezond. Door de stijgende huizenprijzen kunnen we de risico’s van lenen namelijk niet meer goed inschatten.

Banken zien geen risico’s meer, omdat het onderpand van een hypotheek bij stijgende huizenprijzen vanzelf groter wordt dan de hypotheekschuld. Ook makelaars en notarissen zijn enthousiast, want meer transacties en hogere huizenprijzen betekent dat er weer een goede boterham verdiend kan worden. De makelaarskantoren schieten weer als paddenstoelen uit de grond. En dan hebben we natuurlijk de bouwsector, die het orderboek weer kan vullen met nieuwe vastgoedprojecten en renovaties aan bestaande woningen. Door de overwaarde komen huizenbezitters in de verleiding om een nieuwe badkamer, keuken of uitbouw te financieren, want ‘het huis is toch meer waard geworden’.

Zoals je ziet handelt iedereen in deze keten volledig rationeel vanuit zijn eigenbelang, dat is logisch en dat is ook wat je in een kapitalistisch economisch model van iedereen mag verwachten. Maar voor de samenleving als geheel is het uitermate onwenselijk, want de kans op een herhaling van de huizenmarktcrash van 2009 neemt op deze manier alleen maar verder toe.

Tijd voor nieuw beleid!

Wat kunnen we daar dan samen aan doen? Laten we wat mij betreft beginnen met het versneld afbouwen van de hypotheekrenteaftrek, want dat is simpelweg een subsidie die de huizenprijzen alleen maar verder opdrijft. Om huishoudens niet in de problemen te brengen zou je de subsidie ook in stand kunnen houden, maar deze juist gebruiken om het versneld aflossen te stimuleren.

Ook zouden we een voorbeeld kunnen nemen aan Duitsland, waar je eerst een deel moet sparen voordat je een huis kunt kopen. Tegenstanders zeggen dat dat onhaalbaar is met de hoge huizenprijzen in ons land, maar dat is een omkering van oorzaak en gevolg. Juist omdat de Duitsers minder geld mogen lenen voor een huis zijn de prijzen daar veel lager dan in Nederland.

Het wordt tijd dat de politiek (wanneer komt er eindelijk een kabinet??) hier eens goed over nadenkt en een visie gaat uitdragen die de woningmarkt weer gezond kan maken. Nu rekenen we ons rijk, terwijl we ons in werkelijkheid alleen maar dieper in de schulden gestoken hebben…

Frank Knopers

Deze column verscheen eerder op Goudstandaard